De verdachte is herkend. Of toch niet?

811
Strafrechtadvocaat Wendy Alberts

In de lawine van coronanieuws zie ik zo nu en dan berichten op strafrechtelijk gebied die aandacht verdienen. Neem nu een arrest van de Hoge Raad van 17 maart dit jaar. Het deed mijn wenkbrauwen fronsen.

Ik ben van huis uit psycholoog en criminoloog, pas later ben ik advocaat geworden. Als psycholoog heb ik me onder meer beziggehouden met onderzoek naar de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen en herkenningen.

De wijze waarop rechters beoordelen of en in hoeverre een getuigenis of herkenning betrouwbaar is, blijft me intrigeren.

Juristen zijn namelijk uitermate goed in het spelen met taal. En rechters kunnen een verklaring of herkenning die vanuit psychologisch perspectief als volstrekt onbetrouwbaar is te typeren, tóch in beschrijvende zin betrouwbaar genoeg vinden om als bewijs te gebruiken. Vaak omdat er anders onvoldoende is voor een veroordeling. Dit is ook weer zo’n pareltje.

Autodiefstal

De zaak draait om een autodiefstal. Het directe verband tussen de verdachte en het misdrijf stoelt op de ‘herkenning’ van de verdachte door verbalisanten (politiemensen) op camerabeelden die van de diefstal in een parkeergarage zijn gemaakt. De verdediging heeft betoogd dat de herkenning niet voor het bewijs mocht worden gebruikt. Dit vanwege de onbetrouwbaarheid daarvan.

De beelden zijn door een verbalisant uitgekeken en hij stelt de verdachte te hebben herkend. Later in het proces zijn de beelden nog eens aan drie andere verbalisanten getoond en ook zij herkennen de verdachte “aan de manier van lopen, kleding, uiterlijk en postuur”. De verbalisanten hebben de verdachte enkele keren ontmoet toen zij hem verhoorden.

De advocaat heeft naar voren gebracht dat de eerste agent de verdachte aan de hand van een politiefoto herkende, niet uit eigen herinnering. Hij heeft de politiefoto’s van de verdachten die de politie op het oog had, met de beelden vergeleken. Er is dus geen sprake van een herkenning vanwege eerdere ontmoetingen.

Niet te zien

De beelden zijn niet van een dusdanige kwaliteit dat gelaatstrekken kunnen worden onderscheiden. Mond, neus en ogen zijn niet te zien.

Van de latere herkenning door de drie verbalisanten is niet meer te achterhalen in hoeverre deze herkenning is beïnvloed door de eerste verbalisant en het gezamenlijk bekijken van de beelden. Vast staat wel dat ook zij de verdachte alleen hebben ontmoet als verdachte in deze strafzaak.

Het gerechtshof Amsterdam oordeelde op 3 augustus 2018 dat de herkenning door de politieambtenaren van cruciaal belang was bij het beoordelen van de vraag of de verdachte betrokken was bij de diefstal.

Waagde

In algemene zin stelt het hof dat hoe meer men van de betrokken persoon een beeld heeft, des te minder visuele informatie er nodig is voor een betrouwbare herkenning. Zelf waagt het hof zich niet aan een herkenning. Wel oordelen de raadsheren dat de beelden duidelijk genoeg zijn om enkele uiterlijke kenmerken van de verdachten in samenhang te kunnen waarnemen. Omdat de politieagenten een of meer ontmoetingen met de verdachte hebben gehad, zou er geen reden zijn om aan de betrouwbaarheid van de herkenning te twijfelen, aldus het hof.

De verdediging is het daar, naar mijn mening volledig terecht, niet mee eens en ging in cassatie. De vraag die aan de Hoge Raad werd voorgelegd was of het gevoerde verweer voldoende gemotiveerd was verworpen.

Advocaat-generaal

Bij de Hoge Raad brengt de advocaat-generaal advies uit. In deze zaak was het advocaat-generaal Geert Knigge die een conclusie trok. Daarbij legt hij de vinger op de zere plek. Knigge zet helder uiteen wanneer er geen sprake meer is van herkenning en waarom het hof deze herkenning niet als bewijs had mogen gebruiken.

Knigge onderscheidt twee typen herkenningen. Type één zijn herkenningen door opsporingsambtenaren die de verdachte goed kennen van vorige gelegenheden. Intensiteit, frequentie en de datum van de eerdere contacten spelen dan mee, net als beeldkwaliteit en de wijze waarop de persoon op de beelden is afgebeeld.

Iemand die een ander goed kent, heeft over het algemeen minder informatie nodig om iemand te herkennen. In dat geval is de betrouwbaarheid vooral gelegen in de persoon die herkent. Begrijpelijk dat een rechter zich dan verlaat op de opsporingsambtenaar. Niet omdat die beter dan de rechter iemand herkent, maar omdat hij een completer herinneringsbeeld heeft.

Nadruk

Type twee zijn herkenningen die berusten op een vergelijking van de verdachte met de persoon op de beelden. Dan komt alle nadruk te liggen op de beeldkwaliteit en wijze waarop de persoon is afgebeeld. De persoon die herkent doet er vrijwel niet toe.

Vanwege het beperkte contact tussen de verdachte en de verbalisanten gaat het in deze zaak niet om type één, maar om het tweede type herkenningen.

Het hof heeft de verdachte vaker gezien dan de verbalisanten. Opmerkelijk is dus dat het hof níet vaststelde dat de persoon op de camerabeelden op de verdachte lijkt. Dat alles lijkt te bevestigen dat de camerabeelden die vaststelling niet toelaten. Volgens Knigge maakt dat het oordeel van het hof, dat de herkenning door de agenten de bewezenverklaring kan dragen, niet begrijpelijk.

Hoop

Toen ik die conclusie van 17 december vorig jaar las, had ik de hoop dat de Hoge Raad overstag zou gaan en ook zou oordelen dat het gebrek aan bewijs in deze zaak niet mag worden gedicht door een rammelende herkenning dan maar als ‘betrouwbaar’ te bestempelen.

Niets is minder waar, helaas. De Hoge Raad vindt dat het hof het verweer voldoende gemotiveerd heeft verworpen.

Een gemist kans. Met dit arrest wordt een praktijk in stand gelaten die vanuit psychologisch oogpunt kant noch wal raakt. Er is geen sprake van een ‘herkenning’ maar van een vergelijking. En als de rechter niet in staat is om zelf tot een herkenning te komen, moeten de conclusies van de verbalisanten terzijde worden geschoven.

Aangetast

Door ten onrechte een grote bewijswaarde toe te kennen aan een herkenning die dat niet is, worden strafrechtelijke kernwaarden aangetast. Een rechter kan namelijk op deze wijze gelegitimeerd vanuit zijn onderbuikgevoel naar bewijs zoeken om iemand te veroordelen.

Het is niet de eerste keer dat ik me verbaas over het onjuist gebruik van psychologische inzichten in het strafrecht. Ditmaal was ik echter extra teleurgesteld vanwege het duidelijke advies van de advocaat-generaal om het beroep gegrond te verklaren.

Ik ben weer een teleurstelling rijker. Maar het weerhoudt me er niet van om me in te blijven zetten voor een persoonlijk doel. Dat is zorgen dat de kennis die we vanuit de psychologie over de werking van ons brein hebben, op correcte wijze binnen het strafrecht wordt toegepast. Nog te vaak worden de inzichten vanuit de psychologie foutief gebruikt om te kunnen toeschrijven naar de gewenste conclusie. Op Femke Fataal zal ik hier de komende tijd vaker op ingaan.

Steun de website Femke Fataal

Vond je dit een goed artikel? Laat dan je waardering blijken met een kleine bijdrage. Je kunt me ook met een vaste, maandelijkse bijdrage steunen. Dan kan ik onderzoek doen en schrijven en kun jij mijn verhalen blijven lezen. Dankjewel!

1 REACTIE

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.