Een brute mishandeling in Amsterdam

3420
Politievrouw Shanou

Het is diep in de nacht. Of eigenlijk; vroeg in de ochtend. Een tijdstip waarop het meestal doodstil is op onze portofoon. 

Mijn naam is Shanou, ik werk sinds 2012 bij de politie en ben sinds twee jaar agent noodhulp. De komende tijd neem ik je in mijn columns op Femke Fataal mee naar mijn werkterrein: Amsterdam. Mijn eerste column gaat over een mishandeling die zich een tijdje geleden, nog voor de coronacrisis, afspeelde.

Normaal gesproken is Amsterdam een drukke en bruisende stad waar heel wat gebeurt. Maar tegen half vijf in de ochtend is de stad nog in diepe slaap. Ook nu is de Dam leeg. Dit is het enige moment dat er zelfs in het centrum niemand op straat is. Het uitgaand publiek is afgetaaid en de kanjers die de stad gaan schoonmaken zijn nog niet begonnen.

Spoed

Mijn collega en ik overleggen of we op bureau wat schriftelijk werk zullen afhandelen, als zich plotseling de centralist van de meldkamer aandient. We moeten met spoed naar een adres waar steeds een vrouw schreeuwt.

Samen met collega’s in een andere politiewagen gaan we op pad.

Er zijn twee melders. Vanuit de auto bel ik ze een voor een op om vast informatie te vergaren. Horen deze getuigen de vrouw nog steeds? Weten zij waar het roepen vandaan komt? Klinkt de vrouw kwaad? Of juist bang?

Onze eerste melder heeft het over een vrouw die om hulp roept. Hij heeft al even niets meer gehoord en vermoedt dat het gaat om een ruzie tussen een man en vrouw. De tweede getuige vertelt precies hetzelfde verhaal. Terwijl we zoekend door de wijk rijden, hou ik hem aan de praat.

Gegil

Dan hoort de melder opnieuw gegil. Hij houdt zijn telefoon uit het raam, zodat ik het geschreeuw over de lijn kan horen. Een alarmerende situatie.

Met behulp van de getuige kunnen we de plek des onheils localiseren. Hij ziet ons rijden en stuurt ons in de richting van het geschreeuw dat inmiddels is verstomd.

We rijden parallel aan de andere politiewagen. Ik zie mijn collega’s stoppen en uitstappen. Hun aandacht gaat uit naar een portiek, direct daarna kijken ze heftig gebarend in onze richting.

Springen

Ook wij zetten de auto aan de kant en springen naar buiten. We stuiten op een dichte voordeur met een klein raam, een gesloten gordijn en een aanwijzing voor grote problemen.

Op de witte deurlijst prijkt een handafdruk in bloed. Half uitgesmeerd. Alsof iemand een hand om de deur heeft geslagen in een poging te ontkomen maar vervolgens weer naar binnen is getrokken.

We bonken op de deur, roepen dat er open gedaan moet worden. Achter het raam verschijnt het hoofd van een man. De bewoner kijkt ons ijskoud aan, sluit het gordijn weer en weigert open te doen.

Dit vraagt om actie. Een collega ramt zo hard als hij kan tegen de deur. Na meerdere trappen vliegt de deur open. We horen de bewoner iets tegen iemand in huis roepen, terwijl hij vergeefs probeert mijn collega’s tegen te houden.

Sprint

Mijn collega en ik trekken een sprintje naar de achterzijde van het huis. Juist als we daar aankomen, stapt een meisje in een met bloed besmeurd t-shirtje over het tuinhek. “We komen je helpen, kom maar naar me toe”, roep ik, want ik wil haar zo snel mogelijk weghebben bij die kerel.

Het meisje kan me nog amper aankijken. Haar ogen zijn letterlijk dichtgeslagen, haar voortanden zijn afgebroken en hele plukken haar zijn uit haar hoofd getrokken. Als ik haar vastgrijp, zakt ze door haar knieën. “Ik ben zo bang, ik ben zo bang”, weet ze nog net uit te brengen.

We nemen haar mee, in onze auto. Onderweg kermt het meisje van de pijn. Ik sla een warme deken om haar heen, wetende dat mijn collega’s de dader hebben aangehouden.

Toegetakeld

Even later ontfermt zich een ambulanceverpleegkundige om het slachtoffer. “Meisje, wat hebben ze je aangedaan”, hoor ik hem zeggen. Hij vertelt ons op een ander moment dat hij zelden iemand heeft gezien die zo ernstig is toegetakeld.

Het mishandelde meisje is nog altijd niet uit mijn gedachten verdwenen. Ik mag haar natuurlijk niet storen in het verwerken van haar trauma, maar het liefst zou ik haar willen bellen om te vragen hoe het nu gaat.

Als dat kon, dan zou ik tegen haar zeggen: “Wat ben ik blij dat jij die nacht de kracht had om steeds te proberen om te vluchten. Dat je steeds bleef roepen om hulp. Dankzij jouw wilskracht en je alerte buren hebben we je gelukkig op tijd gevonden!”

Steun de website Femke Fataal

Vond je dit een goed artikel? Laat dan je waardering blijken met een kleine bijdrage. Je kunt me ook met een vaste, maandelijkse bijdrage steunen. Dan kan ik onderzoek doen en schrijven en kun jij mijn verhalen blijven lezen. Dankjewel!

2 REACTIES

    • Dank u wel! Ik ben u daar zeer erkentelijk voor. U steunt met uw bijdrage ook de onafhankelijke journalistiek. Vriendelijke groeten, Jolande

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.