Alleen papieren waarheidsvinding in het strafproces?

838
Afbeelding ter illustratie. Afbeelding van S. Hermann & F. Richter via Pixabay

Soms heb ik het idee dat het strafproces niet draait om waarheidsvinding, maar om de vraag of het feit dat een verdachte ten laste gelegde is gelegd in bewijstechnische zin kan worden gedragen.

De verdachte wordt dan met meer dan een gezond wantrouwen tegemoet getreden en van de onschuldpresumptie is weinig te bekennen. Met dat laatste wordt bedoeld dat in ons land een verdachte niet hoeft te bewijzen dat hij onschuldig is, maar dat de overheid moet bewijzen dat hij schuldig is.

Geval

Vorige week was er weer zo’n geval waarvan mijn mond openviel.

Mijn cliënt wordt ervan verdacht iemand te hebben mishandeld en bedreigd met een mes. Er was een opstootje geweest tussen twee groepen. De groep waartoe mijn cliënt behoorde was een balletje aan het trappen. Toen de bal in de buurt van de andere groep was beland, trapten deze lieden ‘m onnodig verder weg.

Vervolgens was een discussie ontstaan, waarbij mijn cliënt de boel in eerste instantie probeerde te sussen. Uiteindelijk liep draaide het toch uit op een gevecht. Ook mijn cliënt had daarbij rake klappen uitgedeeld.

Aangever en twee leden van de andere groep verklaren dat zij plotseling opmerkten dat mijn cliënt een mes vasthield. Daardoor voelden zij zich bedreigd. Hun verklaringen lopen sterk uiteen. Volgens de een ging het om een mes van acht centimeter, de ander sprak over een afmeting van 20 tot 25 centimeter.

Erkende

Hoewel er een verhaal aan vooraf is gegaan, erkende mijn cliënt een klap te hebben gegeven en dat beter achterwege te hebben kunnen laten. Hij stelde echter stellig niets in zijn handen te hebben gehad tijdens het gevecht. Het is mogelijk dat hij wel zijn telefoon vasthield.

De auteur van deze column: strafrechtadvocaat Wendy Alberts.

Mijn cliënt werd er in het verhoor mee geconfronteerd dat er beelden zijn waarop volgens de politie te zien is dat hij een mes vasthield. Na het bekijken van die opnamen zei mijn cliënt dat dit geen mes, maar een vaporizer is. Dat is zo’n elektronisch rookstokje. De rechercheur die het pv opmaakte, weet duidelijk niet wat dat is. De politieman lijkt bovendien te denken dat mijn cliënt het allemaal maar verzint.

Toen ik het dossier als voorbereiding op de zitting doornam, las ik tevens het proces-verbaal van bevindingen. Dat bleek te zijn opgemaakt na het zien van de beelden. De rechercheur stelt op de opnamen te hebben waargenomen dat er een mes zichtbaar is. Uitgaande van de waarheidsgetrouwheid van het proces-verbaal zou het verhaal van mijn cliënt dus geen haalbare zaak zijn. Uit dat pv blijkt immers dat aangever en getuigen zich niet hebben vergist zoals mijn cliënt zegt.

Maar toen bekeek ik zelf de beelden.

Bevestigen

De opnamen bevestigen zijn verhaal: mijn cliënt had geen mes, maar een voorwerp in de hand dat in elk geval gelijkenis vertoont met een vaporizer. Het is een zwart voorwerp zonder lemmet of andere kenmerken van een mes. Ook de wijze waarop hij het voorwerp vasthield, ondersteunt dat.

Aangever en de getuigen hebben zich klaarblijkelijk vergist, en de rechercheur heeft onterecht opgenomen dat het om een mes gaat.

Ik zeg niet dat deze rechercheur dat welbewust in het proces-verbaal heeft vermeld. Mogelijk is hij wel vooringenomen geweest. Niet wetende wat een vaporizor is en uitgaande van de getuigenverklaringen, trok deze politieman zijn conclusies. En die zijn niet correct. Feitelijk is alleen een zwart voorwerp te zien.

Officier

Vol goede moed maakte ik me dan ook op voor een zitting waar mijn cliënt een gesprek zou hebben met de behandelend officier van justitie. Het kon niet anders dan dat de zaak op dit onderdeel geseponeerd zou worden. Ook al zit er voldoende wettig bewijs in het dossier in de vorm van een aangifte, getuigenverklaringen en een proces-verbaal van bevindingen – de opnamen moeten voldoende zijn om de verklaring van mijn cliënt te ondersteunen.  Het kon niet anders, bedacht ik me, of de officier zou net als ik uit eigen waarneming tot de slotsom komen dat zowel de getuigen als de rechercheur het niet bij het rechte eind hebben.

Maar al bij het begin van de zitting merkte ik dat de officier de beelden niet onder ogen had gehad en slechts uitging van de papieren stukken. Op mijn verzoek bekeek ze de opnamen alsnog.

Onbegrip

Tot mijn verbijstering raakte de officier daarna niet overtuigd van de onschuld van mijn cliënt op dit punt. Ze stelde weliswaar expliciet geen mes te hebben waargenomen, maar toch ging de officier uit van de bevindingen van de politie. Mogelijk heeft de politie de beelden uitvergroot en hadden de rechercheurs beter zicht gehad, was haar overweging. Daar kon ik met de beste wil van de wereld niet bij. Vol onbegrip verliet ik met mijn cliënt de zaal.

Wel of geen mes in deze zaak? Advocaat Wendy Alberts hoopt dat de rechter zich wel baseert op feiten. Foto ter illustratie: Afbeelding van PublicDomainPictures via Pixabay

In mijn optiek dient het OM erop toe te zien dat aan een onjuist proces-verbaal geen bewijswaarde wordt gehecht. Als deze officier werkelijk meent dat de politie over andere middelen beschikt om de beelden te bestuderen, dan zou zij dat moeten uitzoeken. Dat gebeurde echter niet. Om voor mij onbegrijpelijke redenen houdt de officier vast aan een pv dat zelfs haar eigen waarneming niet bevestigt.

De zaak wordt nu noodzakelijkerwijs aangebracht bij de rechter. Hopelijk vertrouwt de rechter wél op wat hij zelf kan zien.

*Lees ook Wendy’s vorige column: ‘Vrouwe Justitia doet een tukje. En de waarheidsvinding?’

Steun de website Femke Fataal

Vond je dit een goed artikel? Laat dan je waardering blijken met een kleine bijdrage. Je kunt me ook met een vaste, maandelijkse bijdrage steunen. Dan kan ik onderzoek doen en schrijven en kun jij mijn verhalen blijven lezen. Dankjewel!

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.