Aangifte zedenmisdrijf vergt veel van slachtoffer

1

Bewijsbaarheid in zedendelicten is een lastige en delicate aangelegenheid. Zedenzaken zijn nu eenmaal moeilijk te bewijzen.

De meeste zedendelicten gebeuren tussen dader en slachtoffer: mensen die elkaar kennen of net hebben leren kennen. Getuigen zijn er meestal niet. In zulke zaken is het het woord van het slachtoffer tegen het woord van een verdachte.

Een ander probleem: biologische sporen kunnen aantonen dat er seks heeft plaatsgevonden, maar lang niet altijd bewijzen die sporen dat de seks op onvrijwillige basis gebeurde.

Sommige zedenzaken dateren uit een ver verleden. Het slachtoffer was er misschien niet eerder aan toe om erover te praten, een officiële melding te maken of aangifte te doen. Er zijn slachtoffers die niet meer weten wat er is gebeurd of die, vanwege een gat in hun geheugen, niet zeker zijn of er wel iets is voorgevallen op seksueel gebied.

Camerabeelden

Hoe werkt dat in de politiepraktijk? Een slachtoffer legt haar of zijn verhaal bij ons neer. Wij gaan dan kijken of er ondersteuning van het verhaal te vinden is. In de vorm van camerabeelden of getuigenverklaringen, bijvoorbeeld.

Maar wat als die er niet zijn? Als zedenrechercheurs zetten wij dan alles op zijn kop om te onderzoeken of er onderbouwing is. Zo kan een zogeheten disclosure-getuige, de persoon met wie het slachtoffer als eerste over het misdrijf sprak, uitkomst bieden. Ook WhatsApp-berichten of berichten op de sociale media kunnen bewijs vormen.

Als een zaak bewijstechnisch moeilijk is, wil dat niet zeggen dat wij niet alles in het werk stellen om bewijs te vinden. We kunnen bijvoorbeeld gaan praten met iedereen die mogelijk iets kan bijdragen. Dat kan zelfs iets opleveren bij sfeergetuigen: mensen die niet bij het delict aanwezig waren maar die het slachtoffer goed kennen.

Dagboeken

Bij onderzoek naar seksueel misbruik in het verleden gaan we soms zelfs terug naar de schooltijd van een slachtoffer. We vragen dan aan onderwijzers of zij zich herinneren hoe het slachtoffer zich in een bepaalde periode gedroeg. Oude dagboeken of medische gegevens kunnen eveneens bewijs opleveren.

Je kunt je voorstellen dat zo’n diepgravend onderzoek veel impact heeft op het slachtoffer. Om die reden willen we dat de aangever goed nadenkt voordat hij of zij besluit om het traject in te gaan dat op een aangifte volgt. Want met een aangifte alleen is het slachtoffer er nog niet.

Zodra ons onderzoek is afgerond, gaan we in overleg met de leider van het onderzoek; een officier van justitie. We krijgen dan wel of geen toestemming tot ‘aanhouding buiten heterdaad’ van de verdachte. Zet het OM het licht op groen, dan wordt de verdachte schriftelijk op het bureau ontboden of in de vroege ochtend van het bed gelicht.

Aangehouden

Eenmaal bij ons binnen wordt de verdachte aangehouden. De piketcentrale van de strafrechtadvocatuur wordt automatisch ingelicht want iedere verdachte heeft recht op bijstand van een advocaat. Meestal wordt de advocaat betaald door de staat. Slachtoffers kunnen tegenwoordig eveneens een advocaat inschakelen.

Via een nieuw en geautomatiseerd systeem nemen we foto’s en vingerafdrukken van de verdachte. Zo kunnen we de identiteit controleren.

Voorafgaand aan het eerste verhoor heeft de verdachte een gesprek met zijn advocaat, die meestal bij het verhoor aanwezig is. Een verdachte heeft het recht om te zwijgen.

De advocaat dient zijn of haar cliënt zo goed mogelijk bij te staan. In de praktijk zal de advocaat vaak onschuld van zijn cliënt willen bewijzen. Daarom stellen we tijdens een aangifte bijzonder kritische vragen aan het slachtoffer. Als we dat niet doen, dient hij of zij later bij een rechter-commissaris te verschijnen om alsnog allerlei vragen van de verdediging te beantwoorden.

Misschien is het nu al duidelijk dat zo’n traject veel vraagt van een slachtoffer.

Impact

Soms zien we zaken die bewijstechnisch onmogelijk zijn rond te krijgen. We overleggen dan altijd met het slachtoffer. Wat is dan wijsheid? Als een verdachte na zo’n intensief traject bij gebrek aan bewijs wordt vrijgesproken, kan dat behoorlijke impact hebben op het slachtoffer.

Aan de andere kant maakt een slachtoffer met een aangifte een statement. Het is immers het moment waarop het slachtoffer de politie vraagt om onderzoek te doen. Zo laat het slachtoffer de verdachte weten dat hij of zij over een grens ging en verantwoording moet afleggen in de vorm van een verklaring. Dat gebeurt allemaal niet als iemand alleen een melding maakt.

Toch is het doen van alleen een melding geen zinloze daad. Als de verdachte al eerder met politie en justitie in aanraking was of op een later moment weer in beeld komt, kan zo’n melding erg belangrijk zijn.

Of iemand het heeft gedaan, is me om het even

0

In mijn beroepsgroep klinkt op verjaardagen steevast dezelfde vraag. Hoe kun je iemand verdedigen van wie je weet dat hij of zij ‘het gedaan heeft’? Mensen vragen je dan ook rustig of je eigenlijk wel moraal hebt.

Van sommige beroepen bestaan van die stereotiepe denkbeelden. Iedere piloot moet wel een Don Juan zijn met aan elke arm minstens één stewardess. Een psycholoog is ‘eng’, want hij of zij kijkt dwars door je heen. En een arts? Die wordt ongetwijfeld vaak uitgedaagd te vertellen welke reeksen vreselijke dingen hij heeft gezien.

Mijn standaardantwoord is dat het voor mijn werk niet uitmaakt of iemand een feit wel of niet heeft gepleegd. In mijn eerste column beschreef ik dat het mijn taak is om de belangen van mijn cliënt zo goed mogelijk te behartigen en om ervoor te zorgen dat hij of zij een eerlijk proces krijgt.

Als ik weet dat iemand iets heeft gedaan maar dat er te weinig bewijs is voor een veroordeling, dan pleit ik zonder enig gewetensprobleem voor een vrijspraak. Dit is dan immers overduidelijk in het belang van cliënt én cruciaal voor het bewaken van het eerlijke proces.

Centraal

In het strafproces staat de vraag centraal wat er kan worden bewezen, niet zozeer wat er feitelijk is gebeurd. Dat is ook de vraag die een rechter moet beantwoorden. Is er te weinig bewijs? Dan moet een verdachte worden vrijgesproken.

Veel vaker komt het echter voor dat ik niet zeker weet of mijn cliënt schuldig is en wat precies zijn of haar aandeel is geweest. Leg dat maar uit op een feestje.

Wil ik dan niet precies weten wat mijn cliënt heeft gedaan? En eis ik niet van mijn cliënten, dat zij exact vertellen wat er is gebeurd? Nee, eigenlijk niet.

Sowieso vind ik zo’n eis raar. Je weet immers nooit zeker of iemand je de waarheid vertelt. Een cliënt die tegen mij bekent dat hij het feit heeft begaan, kan hierover liegen. Bijvoorbeeld omdat hij iemand anders, uit vriendelijkheid of uit angst, in bescherming wil nemen.

Harddrugs

Een voorbeeld. Laatst had ik een zaak waarin mijn cliënte tegen de politie, de rechter en ook tegen mij bekende dat zij in harddrugs had gehandeld. Pas na de uitspraak biechtte deze vrouw aan mij op dat ze had gelogen. Ze wilde ervoor zorgen dat haar vriend niet werd veroordeeld. Hij was al een keer eerder gepakt voor het dealen in drugs en zou bij een volgende veroordeling een fiksere straf hebben gekregen.

Uiteraard kan een cliënt die een feit ontkent, eveneens liegen. Uit schaamte of omdat hij het mij niet durft te vertellen.

Als een cliënt me vertelt wat er echt aan de hand is, maakt dat mijn adviezen natuurlijk wel waardevoller. Bij bezoeken aan mensen die net zijn aangehouden, leg ik daarom altijd uit dat iemand de waarheid weliswaar niet hoeft te vertellen maar dat mijn advies is gebaseerd op wat ik van een cliënt te horen heb gekregen. Op zulke momenten weet ik nog niets over de zaak en heb ik nog geen dossier.

Kopstoot

Onlangs bezocht ik een aangehouden cliënt op het politiebureau. De verdenking was mishandeling. De man in kwestie beaamde dat hij inderdaad iemand een klap had gegeven bij het uitgaan. Hij vertelde ook dat de man die hij had geslagen even te voren een kopstoot had uitgedeeld aan zijn vriend.

Aan deze cliënt heb ik toen uitgelegd dat hij – indien hij de waarheid sprak –meteen een verklaring bij de politie moest gaan afleggen. In dit geval was er tenslotte sprake van noodweer. Ik waarschuwde hem echter wel dat mijn advies niets waard was, indien hij een leugentje om bestwil had verkondigd en wel degelijk de eerste klap had uitgedeeld. In uitgaansgelegenheden hangen vaak camera’s, zo’n leugen zou snel uitkomen.  

Het is mij dus om het even of cliënten iets hebben gedaan of niet en of zij mij de waarheid willen vertellen of niet. Maar het is wel van belang dat zij weten dat ik hen het beste kan helpen wanneer ik weet wat er is gebeurd.

Meer lezen van Daniëlle? Hier staat haar vorige column.

Pijnlijke nasleep van moord op Nadia vastgelegd op beeld

0

‘OverLeven’, een documentaire die de pijnlijke nasleep van de moord op mijn zus Nadia van de Ven voor ons als nabestaanden in beeld brengt, ging drie maanden geleden in première. De film is gemaakt door journalist Richard Grootbod.

Ik leerde Richard kennen in de nazomer van 2012 tijdens een verhalenbeurs die auteurs in contact brengt met uitgevers, teksteditors, vormgevers en journalisten.

Richard werkte als verslaggever voor RTV Utrecht. Omdat mijn zus Nadia in Utrecht om het leven is gebracht, heeft deze omroep in tegenstelling tot de landelijke media veel aandacht besteed aan de zoektocht naar de voortvluchtige dader. Ook de rechtszaken die na de arrestatie van Nadia’s moordenaar volgden, werden intensief gecoverd door de Utrechtse omroep.

Hogeschool

Toen zij werd doodgeschoten, was Nadia parttime projectleider bij ImTech, een IT-bedrijf in Den Haag. Ze zat in het laatste jaar van haar studie Technische Informatica aan de Hogeschool Utrecht.

In april 2002 had Nadia de relatie met haar vriend verbroken, ze woonde daarna een tijdje bij onze moeder. In augustus van datzelfde jaar kwam een appartementje in hartje Utrecht vrij. Uiteindelijk heeft Nadia daar nog geen zes weken gewoond…

De sociale media stelden in 2002 nog niet veel voor. Internet op de mobiele telefoon stond in de kinderschoenen. Ik herinner me dat mijn gsm toen een maximale opslagcapaciteit van 35 sms-berichten had.

Contrast

Het contrast met de huidige digitale wereld is enorm. Was mijn zus anno 2020 het slachtoffer geworden van zo’n ernstig misdrijf, dan hadden Twitter, Facebook en LinkedIn bol gestaan van de nieuwsberichten en steunbetuigingen. Tegenwoordig is het hele land immers binnen een uur geïnformeerd over urgente en onthutsende nieuwsfeiten.

Omdat dit destijds allemaal nog niet bestond, was de berichtgeving over de moord op Nadia buiten de stad en gemeente Utrecht naar de huidige maatstaven erg summier.

Nadia was enorm geliefd bij haar familieleden, vrienden en kennissen. Mijn zus had een zeer uitgesproken mening en een meer dan aanstekelijk gevoel voor humor. Ze hield enorm van gezelligheid.

Slagen

Een goede vriendin omschreef haar als ‘een vechter, een doorzetter, iemand die zelden tot nooit opgaf. Als Nadia iets voor mogelijk achtte, dan moest en zou dat slagen. En niet alleen slagen, eigenlijk moest het vrijwel perfect zijn. Het gekke is dat haar dat meestal nog lukte ook’.

Daar waar haar vriendinnen, studiegenoten of collega’s vaak dachten aan opgeven omdat de kans van slagen klein was, wist Nadia iedereen te motiveren om juist door te gaan. Vaak met prachtige resultaten.

Haar sociale kant was haar overtreffende kant. Ook wanneer Nadia zich soms ellendig voelde, bleef ze openstaan voor haar omgeving door te luisteren naar problemen van anderen en door interesse in hun levens te tonen. Ze was altijd in voor een goed gesprek, gaf graag adviezen en was nooit te beroerd om een stevige knuffel uit te delen als iemand die nodig had.

Documentaire

Tien jaar na haar tragische dood, voelde ik de behoefte om een blijvende herinnering aan haar neer te zetten. Tijdens de kennismaking met Richard, vroeg ik hem dan ook of hij een film over het leven van Nadia wilde maken. Voor Richard was meteen duidelijk dat het een sterke zaak is. Het moest geen film maar een documentaire worden, besloot hij. Met mijn moeder en mij in de hoofdrol.

Op 29 december 2012, de dag dat ik mijn gedichtenbundel ‘Parels van Verdriet’ publiceerde, filmde Richard ons voor het eerst. Uiteindelijk heeft hij mijn moeder en mij 6,5 jaar met zijn camera gevolgd.

Lucinda (links) en haar zus Nadia van de Ven

De documentaire brengt ons verhaal in beeld en laat zien hoe ingrijpend het is wanneer een familielid wordt omgebracht. Als nabestaanden moesten wij letterlijk zien te overleven om niet ten onder te gaan aan het onbegrip en het onrecht waarmee we ongevraagd werden geconfronteerd.

Portret

De productie is tevens een portret van onze tien jaar durende strijd om rechtvaardigheid. Daarbij werden we heen en weer geslingerd tussen wanhoop, verdriet en optimisme. De ene keer waren we stukken moediger en hadden we meer doorzettingsvermogen dan de andere keer.

Indirect is ons verhaal een aanklacht tegen het huidige rechtssysteem en tegen de overheid. Want die overheid zorgt in onze ogen beter voor de bescherming van de rechten van verdachten en daders, dan voor slachtoffers en nabestaanden. Het is tijd dat daarin verandering komt.

Peter R. de Vries zei eerder op tv dat iedereen de documentaire zou moeten zien. Ik hoop dat dat gebeurt, zodat er meer begrip komt voor nabestaanden.

De documentaire over Lucinda en haar moeder vind je hier. Wil je Lucinda’s vorige column ook lezen? Die staat hier.

‘Reactie Grapperhaus over cold cases geeft nul vertrouwen’

De reactie van minister Grapperhaus van Justitie en Veiligheid op de Kamervragen over ons boek Moordsporen geeft nul vertrouwen, vindt advocaat Job Knoester.

In het in november uitgebrachte ‘Moordsporen, op zoek naar de waarheid in cold cases’ beschrijven oud-rechercheur Dick Gosewehr en ik onze naspeuringen naar zeven zaken.

Het gaat om moorden die niet of nauwelijks zijn onderzocht en die door politie en OM zijn afgedaan als vrijwillige verdwijningen of ongevallen. In latere politieonderzoeken, ontdekten we, werden eerdere fouten niet door de opsporingsautoriteiten hersteld maar onder tafel gehouden.

Meerderheid

Op basis van het boek stelde een meerderheid van de Tweede Kamer in november onder aanvoering van SP’er Michiel van Nispen vragen over die praktijken aan minister Grapperhaus.

Daarbij stond de Kamer tevens stil bij het in Moordsporen omschreven voorstel van advocaat Job Knoester om een onafhankelijke commissie in te stellen waar nabestaanden bij ernstig twijfel over opsporingsonderzoeken kunnen aankloppen. Job legde dat plan in 2015 al voor bij toenmalig minister van Veiligheid en Justitie Van der Steur.

“Grapperhaus komt nu met dezelfde reactie die zijn voorganger destijds gaf”, concludeert de advocaat. “Van der Steur vond dat er voor nabestaanden al voldoende mogelijkheden zijn om ernstige bedenkingen over het opsporingsonderzoek naar voren te brengen, ook als zij een onafhankelijk oordeel willen.”

Ten onrechte

De huidige bewindsman denkt daar net zo over. “Ten onrechte”, vervolgt Job,  “want het zijn stuk voor stuk justitiële trajecten die niet transparant zijn en waarbij de slager zijn eigen vlees keurt. Dat werkt niet. Niet voor nabestaanden en niet voor de waarheidsvinding.”

De bewindsman onthoudt de Kamer bovendien informatie over het onderzoek naar de dood van de 25-jarige amazone Larissa Dumont. Zij kwam volgens een achttal (forensische) experts in Moordsporen om het leven door een misdrijf en niet door een ongeluk met een spijker zoals OM en NFI – ‘in brede consensus met buitenlandse forensisch deskundigen’ – in 2016 stelden.

Opvallend is dat de bewindsman alleen refereert aan het onderzoek in 2016 maar met geen woord rept over een eerder onderzoek in 2008. Toen stelden hetzelfde OM en hetzelfde NFI – eveneens ‘met steun van buitenlandse deskundigen’ – vast dat Larissa was gedood door paardenbeten.

Radar

Ook deze zaak werd dus in eigen kring her-beoordeeld waardoor eerdere fouten onder de radar bleven.

Vraag is hoe het OM en NFI, na jarenlang te hebben vastgehouden aan dodelijke paardenbeten, in 2016 een ommezwaai konden maken waarbij een spijker als doodsoorzaak werd aangewezen. Welke conclusie is dan meer waard: dodelijke paardenbeten of een spijker? Of zijn beide conclusies niets waard omdat er nooit een uitgebreid onderzoek kwam?

Wij denken het laatste en onderbouwen dat in Moordsporen. De minister zou er goed aan doen om zich niet alleen (klaarblijkelijk beperkt) te laten voorlichten door zijn ambtenaren maar vooral zelf het boek te lezen.

Verwondingen

Coauteur Dick Gosewehr en ik zijn bovendien bereid om Grapperhaus de foto’s van Larissa’s verwondingen te verstrekken. Die zijn te gruwelijk om in de openbaarheid te vertonen maar spreken boekdelen. Zelfs een leek kan zien dat het slachtoffer niet stierf door een paardenbeet of spijker, maar dat haar destijds de hals werd doorgesneden.

De aanhoudende doofpotpraktijken zijn precies de reden, vinden wij met advocaat Job Knoester waarom er voor nabestaanden een onafhankelijke commissie dient te komen. Zo’n loket zou moeten bestaan uit juristen, forensische wetenschappers en bijvoorbeeld oud-rechercheurs die cold cases voor familieleden tegen het licht houden. Voor veroordeelden is er al jaren zo’n loket. Maar waarom niet voor nabestaanden?

Grapperhaus zwijgt over dat voorstel en verwijst slechts naar pilots of zogeheten reflectiekamers van het OM die reviews kunnen instellen.

Onafhankelijkheid

Job: “De onafhankelijkheid zou worden gewaarborgd doordat zo’n review wordt uitgevoerd door medewerkers van een ander arrondissementsparket en politie uit een andere regio. Ook externe deskundigen kunnen deelnemen aan de review. Dat klinkt veelbelovend, maar de werkelijkheid is anders.”

De advocaat kreeg al in diverse cold case-zaken te maken met reviews. Eén ervan is de zaak van Leon Groeneweg, een 19-jarige jongen uit Schiedam die in 2008 dood bij het Kruininger Gors in Oostvoorne werd aangetroffen. Ook naar dit dossier deden Dick en ik in het verleden onderzoek. We stuitten daarbij op tal van aanwijzingen voor een misdrijf die het OM niet wil onderkennen.

“In deze zaak kwamen er zelfs twee reviews”, vertelt Job die Leons ouders al jaren bijstaat. “Aan de nabestaanden werd na afloop medegedeeld dat de uitkomsten het OM niet op andere gedachten hadden gebracht.”

Weigerde

Leons vader en moeder wilden vanzelfsprekend weten hoe dit reviewproces was verlopen en waarom de reflectiekamers niet op andere bevindingen kwamen. Verder vroegen zij zich af of de reviewcommissie daadwerkelijk onafhankelijk was en wie er zitting in dat comité hadden. Het OM weigerde de vragen te beantwoorden. Verslagen en notulen van het onderzoek werden ondanks herhaalde verzoeken nooit aan de ouders verstrekt.

Met een praatje met de voorzitter van het College van Procureurs-Generaal kwam de familie niet verder. De topman van het Openbaar Ministerie toonde empathie, maar wilde evenmin antwoorden en uitleg geven. Het heeft de ouders dus niets gebracht.

Mogelijkheid

Net als Van der Steur een aantal jaren geleden deed, verwijst Grapperhaus verder naar de mogelijkheid van de artikel 12-procedure.

Maar die procedure bij een gerechtshof biedt evenmin een oplossing voor gevallen waarin er tussen nabestaanden en justitie verschil van inzicht is over de vraag of er sprake is van een misdrijf. “Om met succes zo’n procedure te voeren moet aannemelijk worden gemaakt dat er een misdrijf is”, legt Job uit. “Daar zit nu juist vaak het verschil van mening in.”
 
Het gerechtshof heeft bovendien onvoldoende middelen om nader onderzoek te laten verrichten. Van der Steur overwoog daarom in 2015 een wettelijke mogelijkheid in te voeren waarmee een gerechtshof een zaak in het kader van een artikel 12-procedure kan verwijzen naar de raadsheer-commissaris. De rc kan vervolgens opdrachten voor nieuw onderzoek geven aan opsporingsambtenaren.

Job Knoester: “Op die wijze kon het gerechtshof volgens Van der Steur beter feitenonderzoek doen. Ook dit bleek een doekje voor het bloeden. De wet is er nooit gekomen.”

Sorrycultuur in het strafrecht

0

Rechtenstudenten krijgen vanaf hun eerste studiejaar te maken met het onderscheid tussen het formele en het materiële strafrecht.

In het materiële stafrecht gaat het over feiten en de persoon van de dader. Kunnen de feiten worden bewezen? Zo ja, is de pleger strafbaar? Toerekeningsvatbaarheid, psychische overmacht, noodweer of ontslag van rechtsvervolging zijn dan van belang.

Het formele strafrecht ziet toe op de regels waaraan procespartijen (rechters, Openbaar Ministerie, politie en de verdachte en zijn verdediging) zich moeten houden. Die regels zijn vastgelegd in het Wetboek van Strafvordering.

Bewijzen

Om welke regels – lees: afspraken tussen procespartijen – gaat het? We hebben het dan over wet- en regelgeving in, bijvoorbeeld, het verkrijgen van bewijzen, het recht op contraexpertise maar ook over de gang van zaken op een zitting die volgens een vast protocol dient te verlopen.

Wat nu als de deelnemers aan het strafproces zich niet aan die bepalingen houden?

Bij advocaten is dat heel eenvoudig. Zij kunnen gesanctioneerd worden bij de tuchtrechter. In het ergste geval worden zij uit hun ambt gezet.

Sanctie

Bij rechters, officier van justitie en rechercheurs is dit lastiger. Op basis van artikel 359a Wetboek van Strafvordering kan het OM als ingrijpendste sanctie niet ontvankelijk worden verklaard. De verdachte gaat in dat geval vrijuit.

Dit artikel heeft een glijdende schaal. Is de inbreuk wat minder ‘schadelijk’ voor de verdachte, dan bestaat de mogelijkheid dat het onrechtmatig verkregen bewijs niet mag meewegen als bewijs. Dan kan vrijspraak volgen. Minder vergaand is verdiscontering in een lagere strafmaat of de constatering dat de belangen van de verdachte zijn geschaad.

Beugel

Met andere woorden: de rechterlijke instantie is het eens met de verdediging dat bepaalde handelingen van het OM niet door de beugel kunnen. De rechter erkent dat die in strijd kunnen zijn met dat wat procespartijen met elkaar hebben afgesproken. Maar… de rechter verbindt er verder géén consequenties aan.

In de jaren tachtig en negentig werd aan rechtenstudenten gedoceerd dat zij zich moest vastbijten in een strafdossier. Vormfouten konden zomaar een groot deel van het onderzoek door politie en justitie in de prullenbak doen belanden.

Later werden zulke fouten gerepareerd en simpelweg ingedeeld onder ‘kennelijke verschrijvingen’. Officieren van justitie mochten zelfs op de zitting zulke fouten in de tenlastelegging corrigeren.

Schendingen

Hoe gaat het nu? Op dit moment komen OM en politie gewoon weg met allerlei schendingen.

Of het nu gaat om het afluisteren van journalisten, het op het verkeerde been zetten van getuigen of het opzettelijk verkeerd of onvoldoende informeren van de onderzoeksrechter over de verdenking: de rechter stelt vast dat het is gebeurd maar er volgt geen enkele sanctie. Noch ten voordele van een verdachte, noch een reprimande aan het adres van de betrokken functionaris.

Plank

Een praktijkvoorbeeld. Er zijn zaken die soms vier of vijf jaar op de plank liggen voor afdoening bij de rechter. Met de impact die zo’n zaak heeft op de verdachte of op de slachtoffers, nabestaanden en overige betrokken, wordt geen rekening gehouden.

Zulke jarenlange onzekerheid werd vroeger na twee jaar genadeloos afgestraft met een niet ontvankelijkheid. Maar de Hoge Raad verbindt tegenwoordig geen rechtsgevolgen aan zulke misstanden en meent dat maximaal tien procent strafreductie voldoende compensatie biedt. Dat impliceert dat de vervolgende instanties rustig hun tijd kunnen nemen zonder te hoeven afrekenen voor hun passieve houding.

Journalist

Onlangs stond ik de verdachte bij in het zogenaamde burgemeesterslek in Den Bosch. Vanaf het eerste moment bleek dat daarin een journalist was afgeluisterd.

Na schoorvoetende excuses door het OM en vragen vanuit de Tweede Kamer, werd duidelijk dat men niet alleen de telecommunicatie had bekeken. Er was tevens gepoogd om de journalist tijdens zijn gesprek met een vermeende bron af te luisteren in een horecagelegenheid.

Het OM moest door het stof. Ging die zaak kapot? Welnee. Het OM stelde zich doodleuk op het standpunt dat de onrechtmatig verkregen gegevens uit het dossier moesten worden gehaald en niet ter kennis van de rechtbank gebracht zouden worden. Onder het mom: zie je het niet, dan bestaat het niet.

Waarheid

De behandelende rechters waren bepaald niet nieuwsgierig naar de werkelijke gang van zaken. Bij een échte zoektocht naar de waarheid zou dat anders zijn gegaan.

De rechtbank stelde, met mij, vast dat weliswaar niet naar behoren was gehandeld maar verbond er geen conclusies aan. Mijn cliënt kreeg een werkstraf. Uitermate onbevredigend. Dit is immers een vrijbrief voor opsporingsinstanties om de rechten van verdachten en verdediging met voeten te treden. Er volgen toch geen sancties.

Verdwijnt het wetboek van strafvordering onder een dikke laag stof, wachtend op de prullenbak? Een beangstigend gegeven. Hiermee worden de afspraken die wij als burgers in een rechtstaat met elkaar hebben gemaakt, uiteindelijk gedevalueerd naar iets uit een ver verleden.

Esther Vroegh en haar cliënt in de zaak van het vermeende burgemeesterslek, de Bossche oud-wethouder Jos van Son, in een recent interview in het Brabants Dagblad.

Lees ook de vorige column van Esther op Femke Fataal: Mr. Big, misleiding of creatieve waarheidsvinding?

Jair Soares (7), verdwenen en vergeten

Zeven jaar is Jair Soares als hij met familieleden en vriendjes aan het ravotten is op het strand bij het Zuid-Hollandse tuindorp Monster.

Het is een stralende dag, die vrijdag de vierde augustus in 1995. Tot de Rotterdamse jongen plotseling spoorloos verdwijnt en een zonnige zomermiddag aardedonker kleurt.

Van de zeven zaken in ons onlangs verschenen boek ‘Moordsporen, op zoek naar de waarheid achter cold cases’ heeft deze kinderverdwijning en de lakse houding van de opsporingsautoriteiten in dat dossier me het meest geraakt.

Je zou er woest om kunnen worden.

Alarmerende

Een kleine jongen die van de aardbodem verdwijnt terwijl politie en justitie jaar in, jaar uit niet naar zijn alarmerende vermissing omkeken. Zelfs nu krijgt Jairs zaak niet de aandacht die deze vermoedelijke kindermoord in onze ogen zou moeten krijgen.

Ik vind dat onbestaanbaar en diep triest.

Jairs familie, oorspronkelijk afkomstig uit Kaapverdië, heeft het drama nooit verwerkt. “Ik ben die dag de helft van mezelf kwijtgeraakt”, zegt zijn broer Benvindo in Moordsporen. “Jair was voor mij als een tweelingbroer.”

Tien jaar geleden kwam ik voor het eerst met Jairs ouders Antonio en Maria en zijn vier oudere broers Benvindo, Martino, Claudio en Leonel in aanraking.

Team

Ik werkte destijds nog als misdaadverslaggever bij De Telegraaf. Het team waarin oud-rechercheur Dick Gosewehr en ik met diverse (forensisch) experts cold cases onderzoeken, bestond pas sinds een jaar of twee.

Een zoekslag in de krantenarchieven wees uit dat er maar weinig artikelen over Jair waren verschenen. Naar mijn idee had ook de pers het in die tijd flink laten zitten. De Volkskrant vormde een uitzondering en was wat dieper in de kwestie gedoken.

Dick en ik besloten om deze cold case in 2010 grondig te gaan doorlichten.

Afgeladen

Toen ik Jairs familie in die tijd voor de eerste keer bezocht, zat de woonkamer van Antonio en Maria Soares afgeladen vol. De ouders, de vier broers en hun aanhang waren rond de salontafel geschaard.

Ik zie mezelf nog zitten. Op een hoge stoel, in het midden van de kring, een notitieblokje op mijn schoot. Ik voelde me bezwaard om die moeilijke periode uit hun levens weer op te rakelen. Het verdriet om Jair hing bijna tastbaar in de lucht.

Het gezelschap viel stil toen Maria plotseling het woord nam. Je kon een speld horen vallen.

“Soms, als iemand voorbij komt met de krullen van Jair en de lengte die hij nu moet hebben als hij nog in leven zou zijn, denk ik: Zou het Jair zijn? Maar hij is het nooit”, zei Jairs moeder met onvaste stem en haar ogen vol tranen.

Benjamin

In ons boek kijken de nabestaanden terug op die vreselijke stranddag van bijna 25 jaar geleden. Benvindo en zijn oudere broer Claudio leggen tevens uit wie Jair was en welke plek de benjamin in hun gezin innam. Ze schetsen het verdriet na zijn verdwijning en de wanhoop van hun ouders die keer op keer vergeefs bij de politie hadden aangeklopt.

Jair (rechts) en zijn broer Benvindo. Foto: Femke Fataal.

Dick en ik doen verder uit de doeken hoe ons onderzoek in die tijd verliep. Zo spoorde ik allerlei getuigen op die ik uitgebreid sprak. Dick schreef naderhand een uitgebreide analyse op grond van al die bevindingen. We kijken ook terug op de manier waarop de politie de vermissing in 1995 had onderzocht.

De directe omgeving werd in die tijd grondig door de politie uitgekamd. Met behulp van getuigen had het onderzoeksteam uitgesloten dat de jongen in zee terecht was gekomen en was verdronken. Ook het duingebied en het achterland waren tot kilometers verderop doorzocht. Er was geen spoor Jair gevonden. Het kindje was dus niet weggelopen of verdwaald.

Sluiten

Maar de enige aannemelijke optie die resteerde – een ontvoering door een volwassene, vrijwel zeker vanuit een seksueel motief – werd niet onderzocht. Sterker: krap een maand nadat Jair spoorloos raakte, maakte de Haagse recherche al bekend het onderzoek te sluiten.

In oude kranten vond ik een paar berichten met opvallende informatie. Er hadden zich die zomer in 1995 wel degelijk belangrijke getuigen bij de politie gemeld. Mensen die een onbekende man met Jair van het strand hadden zien vertrekken. Dat betekende dat de politie over een signalement van de ontvoerder moest beschikken. Maar de beschrijving van de kidnapper werd nooit naar buiten gebracht: er kwam géén getuigenoproep.

In 2002 had een landelijk team kindermoorden nog even naar de verdwijningszaak gekeken. Er was DNA afgenomen bij Jairs familieleden en in de VS werd een verouderingsfoto van de jongen gemaakt. Alsof de politie serieus dacht dat Jair nog in leven kon zijn.

Gouden tip

Daarna was er niets meer aan de zaak gedaan. De politie had simpelweg gewacht op een tip. Maar zelfs een gouden tip komt zelden of nooit zomaar aanwaaien.

Op 3 juli 2010 haalde ik flink uit in de krant. Een paginagroot verhaal met de kop ‘Jair vermist? Hij is ontvoerd’. Een jaar later slaagde advocaat Job Knoester erin om voor de familie Soares het politiedossier uit 1995 boven water te krijgen.

En dat zou een belangrijke wending aan ons onderzoek gaan geven.

Het politiejournaal dat we toen in handen kregen, telt 23 pagina’s. Geanonimiseerd, weliswaar. Alle namen en adressen van getuigen en andere betrokken zijn eruit weggelaten. Op de derde pagina van het overzicht stuitten we vrijwel onmiddellijk op opzienbarende informatie.

Getuige

Een getuige had de politie destijds verteld dat hij het strand bij Monster die dag rond vijf uur ‘s middag had verlaten. En op dat moment had hij iets belangrijks gezien. Een politieman zette zijn getuigenis als volgt op papier:

‘Liep over de dijk naar zijn auto. Zag hierbij een man lopen in de richting van de nieuwe wijk (Kleine Geest) met achter die man aanlopend een gekleurd jongetje, 7 à 9 jaar. Signalement man: oude, vieze man, onverzorgd, lang sluik haar + kalend, circa 50 jaar, brildragend, model dun montuur en rond model. De man droeg donkere kleding’.

De politieagent had er nog iets bijgezet: ‘Mogelijk kan deze man nog gehoord gaan worden’.

Kennelijk zag het onderzoeksteam daar weinig in. In de rapportage is verder niets over deze bijzondere informatie en het signalement terug te vinden. De gegevens verdwenen doodleuk in een la om stof te vergaren.

Verdedigbare

In samenspraak met Dick, Job Knoester en de familie Soares besloot ik het signalement zelf naar buiten te brengen. Op 28 maart 2011 verscheen mijn verhaal in de krant. ‘Wie is de kidnapper van Jair’, was de weliswaar gedurfde maar verdedigbare kop boven het artikel. Ik had de beschrijving van de vermoedelijke ontvoerder er letterlijk in overgenomen.

Dat bracht iets. Dezelfde ochtend om half acht ging mijn telefoon al. Er meldde zich een inwoner van Monster. Iemand die de krant had gelezen en in het signalement een notoire pedofiel uit de omgeving zei te herkennen. Nog diezelfde ochtend zat ik met deze tipgever om de tafel.

In Moordsporen schetsen we uitgebreid wat er daarna gebeurde. De aangewezen pedofiele man – we gaven hem de gefingeerde naam ‘Teun Teunissen’ – bleek om allerlei redenen een serieuze kandidaat voor betrokkenheid bij de zaak-Jair te zijn. Ook andere getuigen herkenden Teunissen in het signalement van de onbekende man die in ’95 met het donkere jongetje van het strand was vertrokken.

Er was alleen één groot probleem: Teunissen was terminaal ziek. Haast was geboden.

Opbiechten

Het had weinig zin om zelf bij de doodzieke Teunissen te gaan aanbellen, vonden we. Als hij met de zaak-Jair te maken had, dan zou hij dat zeker niet aan mij gaan opbiechten. Om een eventueel politieonderzoek naar deze mogelijke verdachte niet stuk te maken, droegen we de tip daarom na overleg met de familie Soares en hun advocaat over aan het Openbaar Ministerie.

Op 12 mei 2011 hadden Jairs broer Claudio Soares, Job Knoester en ik een gesprek met twee Haagse officieren van justitie over onze tip. Tijdens die bijeenkomst legde ik uit wat onze bevindingen over Teunissen waren. Ik vertelde de officieren van justitie dat onze tipgever bereid was om met de politie over Teunissen te praten.

Je zou verwachten dat politie en OM er snel mee aan de gang zouden gaan. Een ernstig zieke man met een zedenverleden die te maken kon hebben met een onopgeloste kinderverdwijning, een man die bovendien door meerdere mensen werd herkend in het signalement: een beetje rechercheur zou daar toch onmiddellijk actie op ondernemen.

Bezweken

Niets bleek minder waar. In november dat jaar meldde onze tipgever zich opnieuw. De politie had de zaak liefst een half jaar laten liggen en was pas eind november bij Teunissen langsgegaan. “Daar kan geen zinnig woord meer zijn uitgekomen,” zei de tipgever verontwaardigd. “Want een dag later is die vent aan zijn ziekte bezweken.”

Het enige wat ik op dat moment kon uitbrengen was een luide vloek. Hadden we maar nooit op politie en justitie vertrouwd. Waren we maar zelf verder gaan rechercheren met de tip, schoot er door mijn hoofd.

Wat deden recherche en OM wel in die tijd? Tijdens een zoekactie werd wat geprikt met stokken in de duinen van Monster. Een volstrekt zinloze exercitie omdat de duinenrij na 1995 is opgehoogd met zeker acht meter zand. Verder kwam er een getuigenoproep op tv. “We houden daarbij de optie open dat de jongen nog in leven is”, zei officier van justitie Wouter Bos in november 2011. Een uitspraak die oud-rechercheur Dick Gosewehr en ik nooit hebben begrepen.

Herfst

Tijdens het schrijven van Moordsporen, afgelopen herfst, deed zich in ons onderzoek wéér iets nieuws voor.

Geheel onverwacht meldde zich een nieuwe getuige. Rens, een 34-jarige man uit Den Haag, die de vermissing van Jair in de zomer van 2019 in een uitzending van Opsporing Verzocht voorbij had zien komen. Hij wilde ons dringend spreken.

Rens vertelde een opmerkelijk verhaal. In 2011 was hij naar de Haagse politie gestapt. Hij had in die tijd mijn krantenverhaal met het signalement van de vermoedelijke kidnapper gelezen. Ook hij was daar op aangeslagen.

Rens verklaarde destijds bij de politie dat hij als tienjarige jongen – in dezelfde periode dat Jair verdween – in een strandtent ten zuiden van Den Haag en vlakbij Monster was lastiggevallen door een man.

Gesleurd

Hij was zich rot geschrokken van die kerel, wist Rens nog. Hij had zijn toen zevenjarige broer meteen aan de arm mee naar buiten gesleurd en was naar zijn moeder gerend.

Zowel Rens als zijn moeder zegt dat deze man voldoet aan het signalement uit de zaak-Jair. Rens had dat in 2011 allemaal uitgebreid bij de politie beschreven maar tot zijn verbazing had hij er nooit meer iets over gehoord.

Alweer waren we verbijsterd. De politie had de verklaring van Rens serieus moeten nemen en een getuigenoproep moeten doen. Een oproep aan mannen om zich te melden indien zij als kind in diezelfde omgeving en periode zijn lastiggevallen door een man die voldoet aan het signalement in de zaak-Jair en de zaak van Rens, had immers nieuwe aanwijzingen kunnen opleveren.

Ook deze informatie was echter onder tafel gepoetst. Een zoveelste misser, wat ons betreft.

Laatste woord

In Moordsporen krijgen de nabestaanden het laatste woord. Bij elke familieaangelegenheid is er bij de leden van de familie Soares die lege stoel en de gedachte aan Jair die zomaar uit hun midden verdween. “Het is enorm frustrerend dat politie en justitie in 2011 niet tot het uiterste zijn gegaan”, vindt Claudio Soares. “Naar mijn gevoel zijn we nooit meer zo dicht bij een oplossing gekomen als in die tijd.”

Claudio heeft een prachtig portret van zijn broertje in de hal van zijn appartement hangen. “Zo is hij de laatste die ik zie als naar buiten ga en de eerste die ik in het oog krijg als ik weer thuiskom.”

Zijn broer Benvindo koestert een ansichtkaartje met een afbeelding van een bootje en twee beren waarop Jair ooit in zijn allermooiste kinderhandschrift zijn naam schreef.

“Aan de ene kant wil ik het wel een plekje geven”, zegt Benvindo. “Anderzijds wil ik mijn broertje niet opgeven. Ik wil door blijven gaan, hoop blijven houden, hem niet vergeten. Ik wil Jair herdenken, maar tegelijkertijd wil ik nog steeds niet onder ogen zien dat hij voor altijd weg is, als ik die stap zet. Aan die tegenstrijdigheden denk ik vaak.”

Tunnelvisie bij politie en OM bestaat nog steeds

0

Zijn gerechtelijke dwalingen – zoals in de 22 jaar geleden gepleegde, Arnhemse villamoord die momenteel in de belangstelling staat – verleden tijd? Of komt tunnelvisie nog steeds voor?

Sinds de Puttense moordzaak, de Schiedammer parkmoord en tal van andere ontdekte, gerechtelijke dwalingen hebben politie en justitie de mond vol van maatregelen om zulke justitiële missers tegen te gaan. Maar een zaak die ik onlangs op mijn bordje kreeg, toont aan dat de opsporingsautoriteiten de waarheid nog steeds geweld aandoen.

Bij het onderzoeken van een misdrijf moet de politie zowel naar belastend als ontlastend bewijs kijken. Dat vloeit voort uit ons wettelijk stelsel. Ook als een verdachte in beeld is, moet het gaan om waarheidsvinding. Kortom, tunnelvisie moet worden voorkomen. Maar in de praktijk zien we maar al te vaak dat de politie in de greep van dit fenomeen verkeert en dat het Openbaar Ministerie dat niet corrigeert.  

Gewapende

Bij een van mijn eerste zaken als strafrechtadvocaat werd ik geconfronteerd met een gewapende overval waarvan een vaste cliënt van ons kantoor werd verdacht. Een plaatselijke supermarkt was overvallen door een dader die daarbij ook een wapen had getoond.

Mijn cliënt, meneer S., liet mij meteen weten dat hij niets met deze overval te maken had.

Waarom verdachten politie en OM mijn cliënt? S. woonde in de buurt van de supermarkt en werd in het verleden al eens beticht van het plegen van een overval (en later daarvan vrijgesproken). Verder waren bij de politie anonieme tips binnengekomen over mogelijke betrokkenheid van S.

In de woning van de vriendin van S. trof de politie kledingstukken aan die leken op de outfit van de overvaller. De recherche stelde verder vast dat S. de dag na de overval een tweedehands auto had gekocht. Het onderzoeksteam richtte vervolgens alle pijlen op hem. S. moest wel de overvaller zijn.

Aanwijzingen

Ook de onderzoeksrechter die moest oordelen of mijn cliënt in voorarrest diende te blijven, vond dat er genoeg aanwijzingen waren. S. bleef dus vastzitten.

Uiteindelijk duurde zijn voorarrest meer dan een half jaar. Elk verzoek van de verdediging tot het vrijlaten van S. werd afgewezen. Maar gedurende al die maanden politieonderzoek was er geen enkel belastend bewijs tegen hem bij gekomen.

Na een paar maanden ontving ik een proces-verbaal van de politie over het volgende. Tijdens de overval was een caissière door de dader met een wapen bedreigd. Het slachtoffer had de overvaller goed kunnen waarnemen. Toen deze mevrouw een week na de overval bij een plaatselijk tankstation stond, was ze zich rot geschrokken. Zij had er de man die haar had overvallen gezien.

De vrouw was er honderd procent zeker van dat het om de dader ging en belde de politie. Het was die dag een feestdag, de politie liet haar weten de camerabeelden van het tankstation later te gaan bekijken.

Kwalijk

De recherche had duidelijk geen haast. Hun verdachte zat toch al achter slot en grendel, was de gedachte. De camerabeelden van het tankstation werden opgehaald en na een tijdje door een agent bestudeerd. Wat deze verbalisant vervolgens opschreef, is wat mij betreft stuitend en zeer kwalijk.

De politieagent constateerde dat de man op de beelden niet mijn cliënt was. De rechercheur noteerde vervolgens in zijn proces-verbaal: ‘De betreffende camerabeelden zijn niet van belang voor het onderzoek, omdat S. niet wordt herkend’.

Blijkbaar was de politie dus helemaal niet op zoek naar de overvaller, het ging er alleen om dat S. zou worden veroordeeld. Het OM deed de kwestie af als een onbenulligheid en bleef mijn cliënt vervolgen.

Vrijheid

Ik kon die houding absoluut niet uitleggen aan mijn cliënt. Toen de zaak eindelijk inhoudelijk werd behandeld door de rechtbank, werd S. dezelfde dag nog in vrijheid gesteld door de rechters en uiteindelijk ook vrijgesproken. Alsnog was er gerechtigheid voor mijn cliënt.

Door deze tunnelvisie bij politie en justitie zat meneer S. meer dan een half jaar onterecht in voorarrest. Het was schokkend om te constateren dat recherche en OM blijkbaar niet aan waarheidsvinding wilden doen, maar slechts naar een zondebok zochten.

Dit verwerpelijke optreden heeft er bovendien voor gezorgd dat de werkelijke overvaller van de supermarkt tot op de dag van vandaag niet is opgespoord en niet is vervolgd.

Mijn cliënt is niet lang na zijn vrijspraak geheel onverwacht overleden. De laatste maanden van zijn leven heeft hij dankzij politie en OM onterecht in een cel moeten doorbrengen. Het recht zegevierde voor hem helaas te laat…  

De vorige column van Bo Maenen kun je hier lezen. Meer informatie over de documentaire over de villamoord is hier te vinden.

Moordvrouwen in Nederland; koelbloedig sloeg Marianne G. toe

Vrouwen moorden zelden uit wraak, constateerden Australische en Amerikaanse wetenschappers eerder. In ons land is dat niet anders. Marianne G. lijkt echter een uitzondering op die regel. Een terugblik op een vrouwenmoord in het Brabantse Heesch die tot in de puntjes werd voorbereid.

“Het enge is dat ze er zo normaal uitziet. Terwijl G. onze moeder willens en wetens heeft vermoord.” Ruim negen jaar na dato vertellen Roy en Mieke me openhartig over hun moeder Lies van Bakel-van der Leest en over de vrouw die haar in koelen bloede om het leven bracht.

Het is de eerste keer dat de twee hun verhaal met een journalist delen. “Verbijsterend is het wat G. in onze familie heeft aangericht”, zeggen Roy en Mieke.

Intelligent

Vermomd als enquêtrice stapt de dan 49-jarige Marianne, een als intelligent omschreven paardenliefhebster uit Kootwijkerbroek, zaterdagavond 2 oktober 2010 iets na achten in haar auto. Ze draagt een blonde pruik, leren handschoenen en heeft een rood opschrijfplankje en een rugzak met schone kleding en twee vlijmscherpe vilmessen bij zich.

Achterin in haar stationwagon Daewoo Nubira liggen een kruiwagen en een stuk blauw afdekzeil. Op de passagiersstoel staat een kartonnen doos met landkaarten, een verrekijker, lucifers, nylon touw, plastic handschoenen, vuilniszakken en een envelop met in grote letters het opschrift ‘kuthoer’.

Marianne zet koers naar het Brabantse Heesch, naar het appartement van haar doelwit. Ze heeft de moordaanslag op haar tegenstandster gedurende de afgelopen vier dagen goed voorbereid.

Lieve

In Heesch staat de 63-jarige Lies bekend als een lieve, alleenstaande vrouw. De Brabantse heeft het hart volgens haar familie en vrienden op de goede plek en bekommert zich vaak en graag om haar medemens.

Juist in die tijd is ze weer opgeleefd en geniet Lies met volle teugen van het leven en alle dierbaren om haar heen. “Het was lang anders geweest voor haar”, kijken Mieke en Roy terug. “Acht jaar lang heeft onze moeder zichzelf weggecijferd en tot zijn overlijden met enorme toewijding gezorgd voor onze vader die al op 46-jarige leeftijd een zware hersenbloeding had gekregen.”

Een paar jaar nadat ze weduwe is geworden, krijgt Lies een relatie met Willy, een pelsdierhouder uit het dorp Mariahout. Een tijdje houdt ze dat stil voor haar kinderen. “We hebben Willy later uiteindelijk maar een paar keer ontmoet, omdat hij niet bepaald een man is die graag naar familiefeestjes gaat”, vervolgen de kinderen van Lies.

Kink

Als blijkt dat de nertsenfokker van plan is om te gaan emigreren en in Canada een nieuw bedrijf en bestaan op te gaan bouwen, komt er een kink in de kabel. Lies voelt niets voor een vertrek naar het buitenland.

Mieke en Roy: “Ze zag in dat er geen toekomst zat in die relatie en zette er een punt achter. Wel hield ze op vriendschappelijke basis contact met Willy. Af en toe deed ze een bakkie bij hem of kletste ze over de telefoon met hem bij. Onze moeder wist ook dat hij op een bepaald moment een nieuwe vriendin had gekregen en wilde daar niet tussen zitten. Haar contact met Willy werd ook om die reden steeds minder hecht.”

Willy’s nieuwe partner Marianne G. denkt daar in 2010 heel anders over. Ze heeft argwaan en besluit te gaan posten bij de woning van haar vriend. Marianne komt tot de ontdekking dat Lies af en toe nog even langskomt en vermoedt dat Willy haar met zijn ex-vriendin bedriegt.

Liefdespad

Ze zint op wraak. Niet op Willy, maar op de vrouw die zij als groot obstakel op haar liefdespad ziet. In stilte smeedt Marianne een duivels plan.

Nietsvermoedend opent Lies zaterdagavond 2 oktober om kwart over negen de deur van haar appartement in wooncomplex De Drie Leliën aan de Schoonstraat. Er heeft net een enquêtrice met blond haar en een schrijfplankje in de hand aangebeld. Ze is benieuwd wat de vrouw van haar wil en antwoordt bevestigend als de vrouw haar naam noemt.

Voor Lies goed en wel beseft wat er gebeurt, valt de enquêtrice haar aan en liggen de twee vrouwen in een hevige strijd op de grond. “Ik weet niet eens meer wie onder of boven lag”, zegt Marianne later tegen de politie.

Gegil

Lies probeert zich uit alle macht te verweren en slaagt erin de aanvalster haar huis uit te werken. Een buurman hoort haar gegil en neemt onmiddellijk poolshoogte. De schrik slaat hem om het hart als hij ziet hoe zijn buurvrouw en een onbekende vrouw de galerij op rollen. ‘Help me, help me nou’, roept Lies doodsbang.

De buurman rent naar binnen om een telefoon te halen, maar als hij terugkeert is de deur van Lies’ woning hermetisch gesloten en hoort hij zijn buurvrouw binnen nog steeds om hulp schreeuwen. Terwijl hij met 112 belt, wordt het plotseling stil. “Ze had even haar handen om mijn keel. Ik had toen een mes in mijn hand en ik heb haar gestoken”, is later het verhaal van Marianne.

Dat blijft Marianne doen, onafgebroken, tot Lies wegzakt. Daarna kleedt de moordenares uit Kootwijkerbroek zich om, stopt haar met bloed besmeurde vilmes en kleding in haar rugzak en rookt nog even een sigaret in de badkamer. Dat alles terwijl de dodelijk gewonde Lies op een paar meter afstand vergeefs voor haar leven vecht.

Koevoet

Vier toegesnelde agenten ontwaren een kwartier later door een raam een grote plas bloed in de hal van het appartement aan de Schoonstraat. Razendsnel breken de agenten met een koevoet het huis open. In de woonkamer, rechts van de deur, stuiten ze op het lichaam van de bewoonster. Het slachtoffer heeft geen hartslag en ademt niet meer.

De onschuldige Lies van Bakel-van der Leest werd om het leven gebracht in haar huis aan de Schoonstraat in het Brabantse Heesch.

Een draairaam aan de straatkant van het appartement staat open. Een van de agenten steekt zijn hoofd erdoorheen. Buiten zit een vrouw ineengedoken op een brede, betonnen richel langs de flat. Een blonde pruik valt van haar hoofd naar beneden, pal voor de deur van het Blokkerfiliaal waar even later ook een rugzak met messen en kledingstukken wordt gevonden.

Marianne G. laat zich zonder problemen oppakken. Ze is er gloeiend bij. Haar handschoenen, kleding en messen zitten onder het bloed van Lies. Ze wordt diezelfde avond door de recherche verhoord.

Boosheid

Pas diep in de nacht worden Roy en Mieke ingelicht over de dood van hun moeder. Details over de achttien messteken die Lies fataal werden, volgen pas later. “De maandag erop moesten we haar lichaam identificeren. Voor ons kwam toen pas de enorme klap en het besef dat ze is vermoord. Wat het erg heftig maakte, is dat haar laatste momenten zo gewelddadig zijn geweest. Na het regelen van de crematie en alles wat er bij het afscheid kwam kijken, kwamen het verdriet en de boosheid.”

In de maanden en jaren die volgen, wonen Mieke en Roy in het bijzijn van een grote groep familieleden en vrienden alle zittingen van het strafproces bij. In 2011 horen ze Marianne voor de rechtbank in Den Bosch toegeven dat zij al vier dagen eerder met de voorbereidingen was begonnen. “Maar’, zegt Marianne dan, “ik heb me alleen vermomd omdat het mijn bedoeling was met Lies te gaan praten. Ik wilde een reden verzinnen dat ze open zou doen.”

De verdediging door haar advocaat dat Marianne niet met voorbedachten rade te werk ging, houdt geen stand. Op 21 september dat jaar veroordeelt de rechtbank haar tot twaalf jaar wegens moord. Ze krijgt ook tbs, omdat bij een psychisch onderzoek is gebleken dat ze aan “ernstige en complexe persoonlijkheidsstoornissen lijdt en verminderd toerekeningsvatbaar was.” Psychiater J. Dinjens stelt in die tijd vast dat Marianne “een complexe psychopathologie” met “een gebrekkige empathie en gewetensfunctie” heeft.

Brandhout

In hoger beroep, een jaar later, betoogt haar advocaat voor het gerechtshof in Den Bosch dat Marianne niet de opzet had om Lies te doden. Over alle spullen die in de rugzak en auto van haar cliënte zijn aangetroffen, zegt de raadsvrouw dat die goederen ook bedoeld konden zijn voor het verzorgen van paarden of het vervoeren van brandhout.

Brandhout is wat het hof van dat betoog maakt. Uit alles bleek volgens de raadsheren dat Marianne haar slachtoffer “met opzet en na kalm beraad” doodde.  Haar straf gaat in het arrest van 17 september 2013 fors omhoog. Ze krijgt dan achttien jaar cel, een strafmaat die tot in cassatie bij de Hoge Raad in stand blijft.

Tbs wordt haar niet meer opgelegd. Bij een vervolgonderzoek door het Pieter Baan Centrum wordt geen gebrekkige ontwikkeling van Mariannes geestvermogens en dus volledige toerekeningsvatbaarheid vastgesteld. Ze verdwijnt achter de tralies en komt, met aftrek van een derde, waarschijnlijk rond 2022 weer vrij.

Berekenend

Voor de dochter en zoon van Lies van Bakel is dat moeilijk te verteren. Hun indruk van Marianne tijdens de zittingen is een andere. “Heel koel en berekenend, was ze. Iemand die perfect de schone schijn kan ophouden. Het tekent haar ook dat ze geen spijt betuigde en niet inzag dat wat ze deed volstrekt onnodig was. Wel kwam G. met allerlei verhalen om er zelf beter vanaf te komen.”

Roy en Mieke hebben met veel bijstand door Slachtofferhulp hun verdriet deels kunnen verwerken. Op contact met de moordenares van hun moeder zitten ze absoluut niet te wachten. “Die vrouw mag en zal op geen enkele wijze meer deel uitmaken van ons leven.”

Willy, de toenmalige partner van Marianne G., wil niet meer aan de zaak herinnerd worden. “Ik heb een en ander verwerkt en heb niet de behoefte er nog over te praten”, liet hij me eerder weten.

Lees ook de vorige Moordvrouw: Bella mafia. In Schagen!

Wees alert met zakendoen op internet

0

Een tijdje geleden werd ik benaderd door een man van net veertig. Ik noem hem ‘Klaas’ omdat hij liever niet met zijn werkelijk naam in deze column genoemd wil worden.

Klaas heeft een leuk gezin met jonge kinderen. Hij is zelfstandig ondernemer en heeft een aardig bedrag gespaard. So far so good.

In januari 2017 wordt Klaas benaderd via Facebook. Hij krijgt dan gratis kaarten aangeboden voor een workshop in het midden van het land. Doelstelling is de basis van het traden onder de knie te krijgen en zo vermogen op te bouwen.

Oefenen

Cursisten krijgen een dvd met uitleg toegestuurd zodat de deelnemers alvast een beetje kunnen oefenen op hun pc. Klaas heeft dan nog geen enkele ervaring in het traden en beleggen.

Op een dag stuurt ‘Angel’ (eveneens een gefingeerde naam) hem via Facebook een vriendschapsverzoek. Angel beweert met traden al behoorlijk te hebben verdiend. Ze heeft 20.000 dollar geïnvesteerd en die inleg zou haar na drie maanden zo’n 80.000 dollar hebben opgeleverd. Hoe ze aan zijn naam komt, weet Klaas niet.

Via Facebook Messenger volgt intensief contact. Angel vertelt dat haar man miljonair is en dat ze in Amerika woont. Ze zit in een chatgroep met mensen die ook geld hebben geïnvesteerd en die daar volgens haar veel mee verdienen. Angel geeft verder aan dat haar accountmanager een toptrader is en trading-accounts van verschillende cliënten beheert. Ze zegt met hem in contact te zijn gekomen door een gezamenlijke vriend.

Contact

Korte tijd later zoekt Klaas op verzoek van Angel contact met deze man. Hij legt Klaas dan verschillende beleggingsmogelijkheden uit.

Cliënten kunnen kiezen voor een investering van 2000, 5000, 10.000, 20.000 of 50.000 dollar of kunnen beleggen in bitcoins of aandelen. Ze moeten daarvoor een account openen zodat hij, met het door de klanten geïnvesteerde geld, kan gaan traden. De man garandeert een torenhoog rendement binnen een half tot één jaar. De keuze is aan de cliënt.

Uiteindelijk gaat Klaas voor een belegging met een looptijd van een half jaar. Er wordt een investeringsbedrag van 2000 dollar vastgesteld.

Groeien

Klaas ziet dat het accountbedrag van zijn eerste investering fors aan het groeien is. Afschriften daarvan worden hem keurig toegestuurd. De accountmanager voegt Klaas bovendien aan een Facebook Messengergroep toe. Daar worden successen met elkaar gedeeld en over en weer beleggingsadviezen gegeven.

Om meer rendement te halen, besluit Klaas op korte termijn nog een bedrag van 6000 dollar te investeren en later zelfs nóg een bedrag van rond 30.000 dollar in te leggen.

Met een investering van in totaal 38.000 dollar zou in een half jaar tijd een bedrag van ongeveer 145.000 dollar worden opgebouwd, waarvan Klaas aan kosten en winst dertig procent moet afdragen, luidt het verhaal.

Onrealistische

Klaas stelt geen vragen over die onrealistische vermogensontwikkeling. Een contract wordt niet opgemaakt. Alles gaat in goed vertrouwen. Andere mensen uit de chatgroep hebben op dezelfde wijze geïnvesteerd en informeren elkaar onderling goed, is de boodschap. Klaas heeft dan geen enkel signaal dat de zaak niet in orde zou zijn.

Maar als het geld na verloop van tijd niet meer wordt gestort, krijgt hij argwaan.

De bewuste accountmanager is vanaf dat moment volstrekt onbereikbaar. Het begint tot Klaas door te dringen dat hij vermoedelijk in de maling is genomen en dat hij al zijn geld kwijt is. Het enige bewijs dat Klaas nog heeft, zijn screenshots van gesprekken en Facebookpagina’s en namen van andere investeerders.

Wanhopig schakelt hij ons in. Het zal niet makkelijk zijn om zijn geld terug te krijgen, vertellen we hem. We duiken in de zaak en vinden uiteindelijk toch een spoor van Angel, de dame die zich via Facebook aandiende.

Details

Ze blijkt uit New York te komen. We vertalen ons rapport in het Engels en doen onderzoek op haar adres. Angel heeft er een bedrijf. Nog een aantal andere details komt overeen met de werkelijke situatie.

Gelukkig voor ons maken dus ook internetfraudeurs af en toe een foutje.

Daarna gaan we in overleg met de FBI in New York. Deze opsporingsinstantie pakt de zaak op omdat er meer dan dertig gedupeerden in de VS zijn. We vermoeden dat Angel goedgelovigen via Facebook in de val lokt. Ongetwijfeld zijn er ook meer Nederlandse gedupeerden.

Trump

Onze cliënt is nog steeds in afwachting van het FBI-onderzoek. President Trump heeft met zijn credo ‘America First’ bepaald dat Amerikanen in zulke gevallen voorrang hebben, weet ook Klaas.

Het gaat gelukkig weer goed met hem. Klaas heeft zijn zaakjes inmiddels redelijk op orde. “De dollartekens in mijn ogen werden mij noodlottig”, zegt hij er nu zelf over.

Mijn advies? Blijf alert als je zaken wilt doen op internet met mensen die je niet persoonlijk kent. En wees vooral extra voorzichtig met het overmaken van geldbedragen!

Lees hier de vorige column van Herma Kluin.

Hoog tijd voor een #MeToo2 over romantiek

(Recherchepsychologen Cleo Brandt en Bianca Voerman zijn vanwege Cleo’s recente vertrek naar Australië inmiddels oud-collega’s. In hun column schrijven de twee vriendinnen elkaar brieven.)

Lieve Bianca,

Ik werd vanochtend vroeg wakker in Melbourne door een combinatie van jetlag en een kookaburra-familie in de eucalyptusboom bij mijn raam. Wát een kabaal!

Dat is wat anders dan de duif die in Nederland op mijn balkon zat. Dat balkon hoefde ik ook niet van giftige spinnen te ontdoen, maar dat terzijde.

Om de tijd te overbruggen tot een normaal moment om op te staan, las ik jouw interview van vorige maand in het AD nog een keer. Je zei daarin onder meer dat slachtoffers van ex-partnerstalking bovenop de stalking ook nog eens te maken krijgen met andermans vooroordelen en hoe frustrerend zoiets is. Zo herkenbaar!

Rare

We zagen het in de praktijk en gingen op zoek naar literatuur over dit rare fenomeen. Wat blijkt? Er is heel veel onderzoek gedaan naar die hardnekkige vooroordelen.

Als mensen worden gestalkt door hun ex houdt de buitenwacht deze slachtoffers daar vaak zelf verantwoordelijk voor. Anders is dat wanneer slachtoffers door een vreemde worden gestalkt.

Verder is de algemene opvatting dat stalking door een ex minder eng en zelfs minder snel strafbaar is dan stalking door een onbekende. Dat terwijl we dondersgoed weten dat juist die ex veel gevaarlijker is. In die situaties loopt het immers veel vaker uit de hand dan tussen vreemden.

Bosjes

Alsof het ergens wel begrijpelijk is dat je ex je 438 keer per dag belt en vanuit de bosjes naar het huis loert. Niet dus. Ook niet als hij of zij ‘alleen de kinderen wil spreken’ of ‘gewoon graag antwoorden wil’.

Dat vinden we minder eng dan een vreemde die naar ons loert vanuit het struikgewas. De angst voor het onbekende is kennelijk iets heel menselijks, ook als dat niet strookt met de feiten.

Die vooroordelen zijn ook nog eens wijd verbreid. Bijna iedereen koestert zulke denkbeelden. Van de student, de huisvrouw en de loodgieter tot zelfs de rechter. Het enige dat helpt om deze vooroordelen weg te nemen is meer kennis.

Wond

Om het nog maar eens te herhalen: het grootste risico op geweld lopen mensen die door hun ex worden gestalkt. De zorgen van deze slachtoffers niet serieus nemen of suggereren dat deze mensen zelf voor stalking verantwoordelijk zijn, is zout in de wond strooien. Of zoals ze hier zeggen; ‘adding insult to injury.’

De kookaburra’s zijn weer stil (ze blijken familie te zijn van de ijsvogel, zo lees ik net) en het is tijd voor koffie. Op het balkon. Misschien met een bus insectenspray bij de hand. Tot snel!

Liefs, Cleo

Lieve Cleo,

De duif hier houdt zich stil; veel te koud vandaag. Ik zou er een tortelduif van kunnen maken voor het verhaal.

Tortelduiven zijn namelijk een symbool van de liefde. Zet twee duifjes naast elkaar op een tak en het wordt een liefdesverhaal. Een weetje: er zijn weinig vogels die zich zo snel kunnen vermenigvuldigen.

Beestjes

Ik kan, door alles wat ik inmiddels weet, niet meer onbevooroordeeld naar die beestjes kijken. Ik zie een wel erg opdringerige tortel telkens aan schuifelen achter de ander die uit angst bijna van de tak lazert.

Bij romantische films kan ik ook niet meer ongegeneerd zwijmelen. Heel zonde, want dat deed ik graag. Veel liefdesverhalen hebben namelijk als boodschap ‘de aanhouder wint’ en ‘als je maar vastberaden bent en jezelf belachelijk maakt, wordt de liefde vanzelf beantwoord’.

Ik dacht vroeger ook dat vastberadenheid romantisch was. Maar wat als de ander echt niet op jouw attenties of goedbedoelde pogingen om het goed te maken, zit te wachten? Als die ander dat vervelend of beangstigend begint te vinden?

Impact

Veel stalkers realiseren zich niet wat de impact van hun gedrag op de ander is. Ze denken daar niet over na. Sterker nog: ze vinden dat de ander verantwoordelijk is voor hun emoties. Stalkers zijn zo bezig met hun eigen verlangen of frustraties, dat er gewoon geen ruimte is voor de beleving van de ander.

Ik denk dat onze ideeën over relaties invloed hebben op de inschatting die we maken van stalkingsituaties. De stalker die zijn ex lastigvalt, kunnen we ergens wel begrijpen. Die vreemde niet, dat vinden we raar en dus eng. De motieven van de ex-partner zijn invoelbaar. Mensen vergoelijken daarmee vervolgens zijn of haar gedrag, terwijl we dat los van elkaar zouden moeten zien.

Romantiek

Romantiek is iets heel anders dan vasthoudendheid. Romantiek gaat, zo zegt zelfs Wikipedia, over wederzijdse geestverwantschap. Beide partijen voelen zich daar prettig bij.

Romantiek vraagt afstemming op de behoeften van de ander en gaat niet over het najagen van de eigen verlangens. Tijd dus voor een #MeToo2 die niet alleen over seks gaat, maar vooral onze ideeën over romantiek uitdaagt.

Liefs, Bianca

De vorige column van Cleo en Bianca op Femke Fataal kun je hier lezen. In december ’19 gaf Bianca een interview aan het AD.

DONEER!

Schrijven en onderzoek doen kost tijd. Steun Femke Fataal met een maandelijkse bijdrage of doneer bij een artikel. Dan kun jij mijn verhalen blijven lezen.
doe een donatie