Fotoschouw: ook zien van gruwelijke beelden helpt nabestaanden

5

Fysiek afscheid nemen van een naaste is een belangrijk onderdeel van rouwverwerking. Wanneer dat niet mogelijk is, bijvoorbeeld wanneer het lichaam niet toonbaar is door ernstig letsel, kan dit het rouwproces in de weg staan.

‘U kunt beter niet kijken, de beelden zijn te heftig’, wordt nabestaanden soms verteld. Ik weet niet wat er bij u gebeurt, maar mijn fantasie is al op hol geslagen als ik zoiets te horen krijg en de vreselijkste beelden doemen op in mijn gedachten. Toch komt het nog met regelmaat voor dat politie en justitie zulke uitlatingen doen wanneer een nabestaande de laatste beelden van zijn of haar geliefde wil zien.

Praktijk

De praktijk is heel anders. Als casemanager van Slachtofferhulp Nederland maak ik graag gebruik van de zogeheten fotoschouwmethode. Deze methode is door Slachtofferhulp ontwikkeld. Met een zorgvuldige, vooraf vastgestelde werkwijze kan ik nabestaanden meenemen in het schouwen van de laatste beelden die er zijn van hun geliefde. Ik ervaar het als een voorrecht om dat te mogen doen.

De auteur van deze column is Mirjam van Zuijlen, casemanager bij Slachtofferhulp Nederland.

Ondanks het feit dat het foto- of filmmateriaal erg heftig kan zijn, ervaren nabestaanden een fotoschouw vrijwel altijd als een goede en ook mooie bijeenkomst. Zij vinden zo namelijk antwoorden op hun vragen en krijgen tevens een geruststelling.

Ik neem de nabestaanden stap voor stap mee in het bekijken van het beeldmateriaal. De familieleden bepalen zelf het tempo, bovendien geven zij aan wanneer ze genoeg hebben gezien.

Moeder

Sommige sessies blijven ook mij bij. Zo bekeek ik ooit met een moeder de foto’s van haar omgebrachte dochter. Op de plaats delict was er veel bloed geweest, viel mij op toen ik de beelden van te voren doornam. Door de moeder voortdurend te begeleiden in het proces en samen te kijken, kreeg de vrouw een gevoel van rust over zich, vertelde zij.

Op de opnamen was te zien dat er rond het lichaam van de dochter allerlei materialen lagen die de toegesnelde ambulancemedewerkers hadden gebruikt. Voor de moeder was dat een bevestiging dat de hulpverleners er alles aan hadden gedaan om te proberen haar dochter te redden. Die wetenschap gaf haar rust.

MH17-ramp

Ook nabestaanden van de MH17-ramp hebben veelvuldig gebruikgemaakt van de fotoschouwmethode. Hoe belangrijk dat voor hen was, bleek wel tijdens het strafproces waar zij gebruikmaakten van het spreekrecht. Diverse malen werd er verteld hoe het de nabestaanden had geholpen om hun omgekomen familielid gezien te hebben. Hoe zwaar verbrand ook, het gaat immers om dierbaren.

We houden van iemand met al onze zintuigen. Om het verlies van een familielid te kunnen accepteren, is het eveneens noodzakelijk om al onze zintuigen te kunnen gebruiken. Iemand kan je immers wel vertellen dat je geliefde is omgekomen bij een vliegramp, maar hoe zeker weet je dan dat het wel jouw familielid is? Zeker bij zo’n plots verlies als een overlijden door een moord, is het van belang om ‘bewijs’ te hebben.

Herkennen

Een nabestaande kan iemand soms aan de stand van een vinger aan de hand, of het schouwen van alleen een voet al herkennen. Zelf kunnen waarnemen dat het je dierbare is en die zekerheid krijgen, is een belangrijke stap kunnen maken in het rouwproces.

Foto ter illustratie. Afbeelding van bernswaelz via Pixabay

Soms is het verdriet gewoon te groot om binnen te laten. Maar ook dan kan de fotoschouw een belangrijk instrument vormen om tot acceptatie te komen. Ik heb al een aantal malen zo’n bijeenkomst mogen organiseren en steeds weer ben ik onder de indruk van het gegeven dat zo’n sessie echt zinvol en mooi is. De laatste beelden van iemands dierbare kunnen laten zien en dan mogen ervaren hoe nabestaanden zekerheden en antwoorden vinden, vind ik een voorrecht.

Je kunt je vast voorstellen dat veel nabestaanden zich bijvoorbeeld afvragen of hun geliefde familielid erg heeft moeten lijden. En dat het voor hen belangrijk is om te weten wat er is gebeurd.

Busstation

Bij een van zulke sessies draaide het om een filmopname van het doodsteken van iemand op een busstation. De ouders, broers en zussen van het slachtoffer wilden de opnamen graag zien.

De officier van justitie wilde in eerste instantie het filmmateriaal niet vrijgeven. Nadat ik had uitgelegd hoe groot het belang is van onze methode voor familieleden, ging de officier echter akkoord om een deel van de opnamen beschikbaar te stellen.

Ook in dit geval nam ik de opnamen eerst zelf door om me goed te kunnen voorbereiden op het bijstaan van de nabestaanden tijdens de fotoschouw. De ouders aanschouwden vervolgens eveneens het filmpje waarop hun kind om het leven werd gebracht. Het bijzondere was dat deze vader en moeder zo met eigen ogen konden zien dat er veel mensen in de buurt waren geweest die zich daarna om hun zoon hadden bekommerd. Het was voor het ouderpaar een geruststelling om te weten dat hun kind niet alleen was toen hij stierf.

Van iedereen

Na afloop van de fotoschouw deed de moeder haar verhaal. ‘Mijn zoon is in mijn buik gegroeid en ik heb hem het leven gegeven’, zei ze. ‘Toen ik hoorde dat hij was omgebracht en dat zijn lichaam in beslag was genomen en de media volop over zijn dood gingen schrijven, voelde het alsof mijn kind ineens van iedereen was.’

Foto ter illustratie. https://unsplash.com/photos/qNwIzrU7pqo?utm_source=unsplash&utm_medium=referral&utm_content=creditShareLink

Het zien van het overlijden van haar zoon op beeld was weliswaar intens verdrietig, maar de moeder zei dat ze toch erg dankbaar was dit moment te hebben kunnen meemaken. Het was op die wijze namelijk een intiem moment voor haar alleen geworden.

Nog nooit heb ik gehoord dat mensen later spijt kregen van het bijwonen van de fotoschouw. Waarmee ik nogmaals wil onderstrepen dat foto’s of filmopnamen – zelfs al zijn die nog zo gruwelijk – nabestaanden houvast en zekerheid kunnen geven. Voor velen waren de beelden die zij in gedachten hadden namelijk nog veel erger dan wat zij bij de fotoschouw onder ogen kregen.

*Meer lezen van Mirjam? Blader hier terug naar haar vorige column.

Alleen papieren waarheidsvinding in het strafproces?

0

Soms heb ik het idee dat het strafproces niet draait om waarheidsvinding, maar om de vraag of het feit dat een verdachte ten laste gelegde is gelegd in bewijstechnische zin kan worden gedragen.

De verdachte wordt dan met meer dan een gezond wantrouwen tegemoet getreden en van de onschuldpresumptie is weinig te bekennen. Met dat laatste wordt bedoeld dat in ons land een verdachte niet hoeft te bewijzen dat hij onschuldig is, maar dat de overheid moet bewijzen dat hij schuldig is.

Geval

Vorige week was er weer zo’n geval waarvan mijn mond openviel.

Mijn cliënt wordt ervan verdacht iemand te hebben mishandeld en bedreigd met een mes. Er was een opstootje geweest tussen twee groepen. De groep waartoe mijn cliënt behoorde was een balletje aan het trappen. Toen de bal in de buurt van de andere groep was beland, trapten deze lieden ‘m onnodig verder weg.

Vervolgens was een discussie ontstaan, waarbij mijn cliënt de boel in eerste instantie probeerde te sussen. Uiteindelijk liep draaide het toch uit op een gevecht. Ook mijn cliënt had daarbij rake klappen uitgedeeld.

Aangever en twee leden van de andere groep verklaren dat zij plotseling opmerkten dat mijn cliënt een mes vasthield. Daardoor voelden zij zich bedreigd. Hun verklaringen lopen sterk uiteen. Volgens de een ging het om een mes van acht centimeter, de ander sprak over een afmeting van 20 tot 25 centimeter.

Erkende

Hoewel er een verhaal aan vooraf is gegaan, erkende mijn cliënt een klap te hebben gegeven en dat beter achterwege te hebben kunnen laten. Hij stelde echter stellig niets in zijn handen te hebben gehad tijdens het gevecht. Het is mogelijk dat hij wel zijn telefoon vasthield.

De auteur van deze column: strafrechtadvocaat Wendy Alberts.

Mijn cliënt werd er in het verhoor mee geconfronteerd dat er beelden zijn waarop volgens de politie te zien is dat hij een mes vasthield. Na het bekijken van die opnamen zei mijn cliënt dat dit geen mes, maar een vaporizer is. Dat is zo’n elektronisch rookstokje. De rechercheur die het pv opmaakte, weet duidelijk niet wat dat is. De politieman lijkt bovendien te denken dat mijn cliënt het allemaal maar verzint.

Toen ik het dossier als voorbereiding op de zitting doornam, las ik tevens het proces-verbaal van bevindingen. Dat bleek te zijn opgemaakt na het zien van de beelden. De rechercheur stelt op de opnamen te hebben waargenomen dat er een mes zichtbaar is. Uitgaande van de waarheidsgetrouwheid van het proces-verbaal zou het verhaal van mijn cliënt dus geen haalbare zaak zijn. Uit dat pv blijkt immers dat aangever en getuigen zich niet hebben vergist zoals mijn cliënt zegt.

Maar toen bekeek ik zelf de beelden.

Bevestigen

De opnamen bevestigen zijn verhaal: mijn cliënt had geen mes, maar een voorwerp in de hand dat in elk geval gelijkenis vertoont met een vaporizer. Het is een zwart voorwerp zonder lemmet of andere kenmerken van een mes. Ook de wijze waarop hij het voorwerp vasthield, ondersteunt dat.

Aangever en de getuigen hebben zich klaarblijkelijk vergist, en de rechercheur heeft onterecht opgenomen dat het om een mes gaat.

Ik zeg niet dat deze rechercheur dat welbewust in het proces-verbaal heeft vermeld. Mogelijk is hij wel vooringenomen geweest. Niet wetende wat een vaporizor is en uitgaande van de getuigenverklaringen, trok deze politieman zijn conclusies. En die zijn niet correct. Feitelijk is alleen een zwart voorwerp te zien.

Officier

Vol goede moed maakte ik me dan ook op voor een zitting waar mijn cliënt een gesprek zou hebben met de behandelend officier van justitie. Het kon niet anders dan dat de zaak op dit onderdeel geseponeerd zou worden. Ook al zit er voldoende wettig bewijs in het dossier in de vorm van een aangifte, getuigenverklaringen en een proces-verbaal van bevindingen – de opnamen moeten voldoende zijn om de verklaring van mijn cliënt te ondersteunen.  Het kon niet anders, bedacht ik me, of de officier zou net als ik uit eigen waarneming tot de slotsom komen dat zowel de getuigen als de rechercheur het niet bij het rechte eind hebben.

Maar al bij het begin van de zitting merkte ik dat de officier de beelden niet onder ogen had gehad en slechts uitging van de papieren stukken. Op mijn verzoek bekeek ze de opnamen alsnog.

Onbegrip

Tot mijn verbijstering raakte de officier daarna niet overtuigd van de onschuld van mijn cliënt op dit punt. Ze stelde weliswaar expliciet geen mes te hebben waargenomen, maar toch ging de officier uit van de bevindingen van de politie. Mogelijk heeft de politie de beelden uitvergroot en hadden de rechercheurs beter zicht gehad, was haar overweging. Daar kon ik met de beste wil van de wereld niet bij. Vol onbegrip verliet ik met mijn cliënt de zaal.

Wel of geen mes in deze zaak? Advocaat Wendy Alberts hoopt dat de rechter zich wel baseert op feiten. Foto ter illustratie: Afbeelding van PublicDomainPictures via Pixabay

In mijn optiek dient het OM erop toe te zien dat aan een onjuist proces-verbaal geen bewijswaarde wordt gehecht. Als deze officier werkelijk meent dat de politie over andere middelen beschikt om de beelden te bestuderen, dan zou zij dat moeten uitzoeken. Dat gebeurde echter niet. Om voor mij onbegrijpelijke redenen houdt de officier vast aan een pv dat zelfs haar eigen waarneming niet bevestigt.

De zaak wordt nu noodzakelijkerwijs aangebracht bij de rechter. Hopelijk vertrouwt de rechter wél op wat hij zelf kan zien.

*Lees ook Wendy’s vorige column: ‘Vrouwe Justitia doet een tukje. En de waarheidsvinding?’

Justitie negeerde zaak zwaar mishandeld meisje

0

Vertrouwen is een van de belangrijkste elementen in bijstand aan slachtoffers en nabestaanden. Als je slachtoffer bent geworden van een strafbaar feit, ontstaat een forse deuk in je vertrouwen. In sommige gevallen is die deuk groot. Er gebeurt iets in het vertrouwen in jezelf: “Had ik anders dit of dat moeten doen?” Ook het vertrouwen in anderen wordt geschaad. In de richting van de dader, vooral. Maar soms eveneens ten opzichte van omstanders die wegkeken.

Een belangrijk element is het hervinden van dat vertrouwen. Daaraan kàn een strafprocedure bijdragen. Ik zeg expliciet ‘kan’, omdat het strafrecht niet altijd een oplossing biedt voor herstel. Soms kan het zelfs leiden tot meer beschadiging van een slachtoffer.

Men moet er vertrouwen in hebben dat de instanties hun werk naar behoren doen, dat de rechter een juiste en rechtvaardige beslissing neemt en er dient vertrouwen te zijn dat je in zo’n emotionele en zware procedure door de juiste personen wordt bijgestaan.

Weinig

Als slachtoffer heb je weinig in de melk te brokkelen. Je stapt op een rijdende trein, zonder dat je de mogelijkheid hebt om die trein te besturen, tot stilstand te brengen of op een andere wijze te beïnvloeden. Natuurlijk chargeer ik nu, want als ik als advocaat daarin niets kan betekenen, kan ik beter mijn toga aan de wilgen hangen. Enfin vertrouwen dus; een uitgangspunt dat voor mij als advocaat heel belangrijk is.

Maar wat nu als een slachtoffer keer op keer de deksel op zijn of haar neus krijgt? Wat als dat vertrouwen gedurende de procedure steeds verder wordt afgebrokkeld? Hoe kun je dan iets wat je hebt meegemaakt een ‘plekje’ geven? Eerlijk gezegd; ik weet het niet. Ook ik word soms heel verdrietig van de gang van zaken tijdens een politieonderzoek en de verdere behandeling in een procedure. Ik zie wat anders kan, maar de muren die we moeten slechten lijken af en toe van gewapend beton te zijn.

Schrijnende

De aanleiding voor deze column is een schrijnende zaak, waarin ik recent een heftig gesprek heb gehad met een jong slachtoffer, haar moeder en de behandelend officier van justitie. Nu ik in gedachten weer de gang van zaken laat passeren om die goed op papier te kunnen zetten, voel ik de machteloosheid opnieuw opkomen.

Wat gebeurde er in deze kwestie? Het slachtoffer werd op straat slachtoffer van een misdrijf toen ze van school naar huis liep. Er werd naar haar gefloten maar het meisje liep door en reageerde niet. De fluitende jongens pikten dat niet – ze voelden zich de mannetjes van de buurt – en begonnen het meisje lastig te vallen. En dat met een man of acht.

Mishandeling

Het eindigde in een forse mishandeling van het meisje. De krachtige tiener was er niet van gediend om te worden lastiggevallen en had teruggevochten. Ze werd ernstig door de groep mishandeld en liep forse breuken op aan haar gezicht die met een zware operatie en diverse platen hersteld dienden te worden. Ik had het al even over vertrouwen: het spreekt vanzelf dat dit bij het meisje een grote deuk opliep.

Haar moeder deed aangifte bij de politie. Een lastige situatie, want de jonge verdachten waren bekenden in de buurt. Moeder realiseerde zich dat dit geen gemakkelijk onderzoek kon worden, omdat getuigen (en die waren er in overvloed) niet durfden te verklaren uit angst voor wraak. Indien de groep achter hun gegevens kon komen, zouden grote problemen kunnen ontstaan.

Bewijs

Het onderzoek liep. De politie vroeg daarbij aan het slachtoffer en haar moeder om bewijs te verzamelen en aan te leveren. Vooral de namen van getuigen zijn van belang, kregen moeder en dochter te horen. Het slachtoffertje mocht dus tijdens haar herstel ook nog zelf een half rechercheonderzoek gaan draaien. Dat is vast ‘goed’ voor de ontwikkeling van een verder psychisch trauma, was mijn cynisch gedachte toen ik daar later over hoorde.

Moeder en dochter waren er nog mee aan de slag gegaan ook. Zoals de recherche had gevraagd, hadden zij alles dat zij konden vinden aan de politie overgemaakt. Ook persoonsgegevens van mensen die wilden verklaren, maar die om de nodige bescherming hadden gevraagd.

Auteur van deze column is de Rotterdamse slachtofferadvocaat Nelleke Stolk.

Daarna was het stil geworden. En het bleef stil. De moeder van het meisje besloot contact met me op te nemen en vroeg me of ik haar dochter wilde bijstaan. Dat deed ik en zodra ik me in deze zaak gemengd had, kwam er beweging. Al was dat bepaald niet een gewenste ontwikkeling.

Geseponeerd

De zaak werd namelijk zonder enige motivering geseponeerd. Er werd een soort standaardreden aangevoerd: ‘te weinig bewijs om deze jongens met succes te vervolgen.’ Wat er was gebeurd met alle informatie die het slachtoffer en haar moeder hadden doorgespeeld, werd niet benoemd. Evenmin gaven politie en OM aan wat voor onderzoek er was geweest. Wel werd duidelijk dat de eventuele getuigen niet waren gehoord.

Noem dit gerust deuk nummer twee voor het slachtoffer en haar moeder.

Nu ben ik niet eenvoudig af te schepen en belde ik direct met het OM om een gesprek aan te vragen met de officier van justitie die deze beslissing had genomen. Bovendien wilde ik een kopie van het dossier ontvangen. Dat gesprek kwam er, maar elke bereidwilligheid om duidelijk te zijn ontbrak. Er volgde een heftige discussie. Het OM hield echter haar poot stijf en voerde aan dat er te weinig bewijs was. Tja, dat begrijp ik als er geen onderzoek wordt gedaan…  Deuk drie, voor mijn cliënten.

Tijd

Ik deed een volgende stap. De tijd tikte door en snelle, strafrechtelijke vervolging in dit soort zaken is belangrijk. We dienden een klacht in bij het gerechtshof. Daarin gaven we aan waarom wij meenden dat de groep jongens wel vervolgd diende te worden. We onderstreepten dat de politie zelfs was geïnformeerd over namen van getuigen.

Het was zaak dat de verdachten snel verantwoording dienden af te leggen voor hun daden. Maar justitie maakte bepaald geen haast… Afbeelding van anncapictures via Pixabay

Die namen zette ik niet op papier, want ook de mishandelaars kregen als beklaagde personen in deze procedure een kopie van het klaagschrift in handen. Als ik daar die namen ingezet had, wist ik in elk geval zeker dat deze mensen helemaal nooit iets over het misdrijf zouden zeggen. Dat alles had ik uiteraard ook meegegeven in de overwegingen voor het hof.

Er kwamen drie zittingen waarbij het arme meisje en haar moeder zelf mochten komen vertellen wat dit alles met hen doet. Dat is niet niks: door de houding van het OM – geen bewijs – werden ze tenslotte impliciet ook nog eens als leugenaars weggezet.

Zittingen

Bij een van die zittingen troffen we op de gang van het gerechtsgebouw de jongens met hun advocaten aan. Ze wisten niet dat wij ook aanwezig waren en waren blijkbaar in een druk overleg over wie wat zou gaan zeggen.

Tijdens de zitting had de groep mijn cliënte en haar moeder uitgebreid kunnen bekijken. Toen er even werd geschorst zagen ‘de heren’ hun kans schoon en waren de bedreigingen in de richting van mijn cliënte en haar moeder niet van de lucht. Op zeer intimiderende wijze werd duidelijk gemaakt dat zij maar beter hun pogingen konden staken. Want, zo gaven de jongeren te verstaan, zij wisten wel hoe ze het rechtssysteem konden omzeilen en hoe ze konden winnen.

Je moet weten dat als iemand zich zo opstelt, bij mij juist de vlam oplaait om nog harder te vechten dan ik al deed. Mijn cliënte en haar moeder waren echter erg ontdaan. Ze begrepen niet dat er niet aan hun veiligheid was gedacht bij het plannen van de zitting voor het gerechtshof. Hoe kon het dat zij samen met deze gewelddadige jongeren en hun advocaten in één zittingszaal hadden moeten doorbrengen? Deuk vier, voor de slachtoffers.

Recht

We vonden het recht aan onze zijde. De zaak werd terugverwezen naar het OM voor verder onderzoek, waaronder het horen van getuigen.

Foto ter illustratie. Photo by Tingey Injury Law Firm on Unsplash

Inmiddels waren we drie jaar verder in de tijd. En weer was het stil en ondernamen politie en OM niets. Ik stuurde een reeks brieven en mailtjes naar het Openbaar Ministerie, belde me helemaal suf en diende tot tweemaal toe een klacht in. Er volde geen enkele reactie.

Uiteindelijk kwam er als uit het niets een brief van het OM. Kennelijk waren de gegevens van de getuigen zoekgeraakt, want men wilde die nogmaals hebben om de getuigen alsnog te gaan horen. Tjonge, nu al, dát is snel, was alweer een cynische gedachte die door mijn hoofd schoot.

Stil

Ik stuurde de gegevens door om alweer geen enkel bericht te ontvangen. Het viel wéér stil. Opnieuw begon ik te mailen, bellen en schrijven. Vele maanden later liet het OM weten dat de getuigen – inmiddels vier jaar na dato –  niet meer te vinden waren. De enige die nog wel kon worden getraceerd had er geen vertrouwen meer in dat politie en OM de zaak de zaak serieus namen. Hij hield zijn mond dicht omdat hij eveneens betwijfelde hoe justitie met zijn veiligheid zou omspringen. Dat kon ik deze getuige niet eens kwalijk nemen.

En daarna? Het OM moest daar weer even over nadenken om niets meer te laten horen. Zelf was ik aangeland bij niveau kookpunt. Mijn cliënten zaten onderhand met deuk vijf, zes en nog veel meer.

We waren er nog niet. De coronacrisis brak aan. In deze zaak was niets mogelijk zolang corona nog in volle omvang aanwezig was. Na een jaar kwam er bericht van het OM. De kern van de boodschap? Het Openbaar Ministerie liet weten het gerechtshof te verzoeken om ermee te stoppen. Volgens het OM ligt de zaak nu al zolang stil dat het geen zin heeft verder onderzoek te doen.

De zoveelste deuk.

Kansloos

Recent stonden we dus weer bij het hof. Het OM kreeg gelijk. Na ruim vijf jaar is het onmogelijk nog iets te doen in deze zaak, nu de getuigen verdwenen zijn of niets meer willen of kunnen verklaring. Tijdens de zitting haalde ik met rode vlekken in mijn nek uit over de werkwijze van het OM en de farce die deze artikel 12-procedure is geworden. Ik zie in dat we nu kansloos zijn, maar dat alles is met ‘dank’ aan het OM.

Ik ben de tel kwijt hoeveel deuken mijn cliënten hierdoor hebben moeten incasseren.

Wat resteerde was een excuses van de officier van justitie die oprecht haar werk doet, maar niet meer recht kon maken wat krom is. Het OM had het inderdaad laten liggen, gaf ze toe, en had de zaak serieuzer en voortvarender moeten oppakken.  

Dat was het dan.

Verwerpelijke

De verdachten hoeven geen verantwoording voor hun verwerpelijke daden bij de rechter af te leggen. Het mag duidelijk zijn dat dit meer dan onwenselijk is.

Foto ter illustratie. Afbeelding van Foundry Co via Pixabay

Mijn cliënte heeft chronisch letsel opgelopen en is met haar moeder volledig door de autoriteiten in de steek gelaten. Klap op klap hebben deze mensen te verduren gekregen. Hun zwaar geschonden vertrouwen in de overheid wordt nooit meer hersteld.

Zelf heb ik door deze zaak ernstig getwijfeld of ik zulke machteloosheid nog wel langer kan en wil bevechten. Maar als slachtofferadvocaten dat niet doen, wie dan wel?

*Lees ook Nelleke’s vorige column over de zaak van het omgebrachte meisje Hümeyra.

Actieve advocaat nodig bij verhoor politie

0

Verdachten in ons land hebben sinds 1 maart 2017 recht op bijstand van een advocaat voorafgaand en tijdens het politieverhoor. Het verhoor is een zeer belangrijk onderdeel van het strafproces. Uit een recent onderzoek van RTL Nieuws blijkt dat de kwaliteit van het verdachtenverhoor door de politie tekortschiet. Welke consequenties kan dit hebben en welke rol spelen strafrechtadvocaten bij het verhoor?

Na een aanhouding of op uitnodiging van de politie wordt er een verhoor afgenomen op het politiebureau. In beide gevallen wordt de verdachte gewezen op de mogelijkheid van het raadplegen van een advocaat. Ik merk steeds vaker dat mensen geen advocaat raadplegen. Als reden hoor ik vaak iets in de trant van: ‘Ik vind het niet nodig op dit moment, want ik heb toch niets met de verdenking te maken.’ Maar óók voor onschuldige verdachten kan bijstand door een advocaat juist het verschil maken.

Onvoldoende

Uit de naspeuringen door RTL blijkt dat de kwaliteit van verhoren niet altijd voldoende is. Zo zou de politie onvoldoende doorvragen, vragenlijstjes afwerken en veelal druk opbouwen om maar een bekentenis te verkrijgen. Rechercheurs zouden zelfs getrakteerd worden door hun collega’s als zij een verdachte een bekentenis hebben ontlokt.

De auteur van deze column: strafrechtadvocaat Bo Maenen.

Of dit laatste klopt laat ik in het midden, maar de aangehaalde ‘verhoortactieken’ zijn herkenbaar. Daarbij is een groot verschil merkbaar tussen een verhoor dat wordt afgenomen door ervaren rechercheurs of door agenten die met name op straat werken en tussendoor iemand moeten verhoren.

Corona

Wat is nu de rol voor de strafrechtadvocaat? Na de uitbraak van corona werden verhoren veelal telefonisch bijgewoond door advocaten. Hoewel veilig, heeft dat niet mijn voorkeur. Non-verbale communicatie van cliënt en de verhoorders kan zo immers niet worden opgemerkt. De meer ervaren verhoorders maken een opmerking in het verhoor als zij zien dat een verdachte verdrietig of boos is. Dat kan voor rechters die zulke toevoegingen later lezen weer waardevolle informatie zijn.

Daarnaast is het van groot belang dat je als advocaat zorgt dat het verhaal van je cliënt goed op papier komt. Op het moment dat er op belangrijke antwoorden niet wordt doorgevraagd, kun je dit aan het einde van het verhoor wel zelf doen. Het wordt niet altijd gewaardeerd, maar het zorgt er wel voor dat de volgens jou belangrijke informatie op papier komt.

Verhaal

Strafzaken worden vaak maanden of zelfs jaren na het afnemen van het verhoor pas behandeld. Als je na al die tijd met een verhaal komt dat niet op papier staat, vragen rechters zich vaak hardop af waarom dat niet eerder is verklaard. Soms is het antwoord simpel: omdat er gewoonweg niet naar gevraagd werd.

Recent stond ik een man bij die verdacht werd van de diefstal van een portemonnee. De man gaf mij voor het verhoor te kennen dat hij niets met de diefstal te maken had, maar dat hij wél kon verklaren over de man die het daadwerkelijk gedaan had. De verbalisanten waren daar echter niet op voorbereid. Er werd een standaardlijstje met vragen doorgenomen en men was duidelijk uit op een bekentenis. Er werd meermaals aan mijn cliënt gevraagd of hij bij zijn ontkenning bleef. Daar is niets mis mee, maar op het antwoord van mijn cliënt dat het een ander was geweest werd niet doorgevraagd. Er leek totaal geen interesse voor te zijn!

Signalement

Aan het einde van het verhoor heb ik mijn cliënt zelf daar nog meer vragen over gesteld, zodat in elk geval een signalement van de dader kon worden genoteerd. Het is op dit moment afwachten of er nader onderzoek gedaan zal worden naar de verklaring van mijn cliënt. Het onderstreept wel dat je als strafrechtadvocaat de kwaliteit van het verhoor niet alleen kunt laten afhangen van de verbalisanten, maar soms écht zelf het heft in handen dient te nemen.

*Lees hier de vorige column van Bo.

Verkeer en straffen; een lastige combi

0

Verkeersdelicten zijn er in veel soorten en maten. Af en toe ontstaat verontwaardiging over de straffen die door rechters worden opgelegd bij verkeersongevallen met een dodelijke afloop.

Vaak stroken de verwachtingen van nabestaanden van dodelijke verkeersongevallen, van de samenleving en van de media niet met de toegepast strafmaat. Het is moeilijk uit te leggen waarom een straf voor een verkeersdader, oftewel een veroorzaker van een dodelijk verkeersongeval, niet even hoog is als bij moord of doodslag. In deze column neem ik je mee langs een aantal afwegingen die een rechter hierbij maakt.

Jarenlange

Bij moord of doodslag volgt meestal een jarenlange gevangenisstraf. Een cruciale factor die meespeelt is dat de dader met opzet iemand heeft gedood. Die opzet moet worden bewezen om tot een veroordeling te komen.

Bij een dodelijk ongeluk is van opzet (meestal) geen sprake. Automobilisten hebben vrijwel nooit de intentie om een ongeluk te veroorzaken, laat staan iemand te doden. Ze maken wel fouten in het verkeer, waarmee ongewild de dood van een ander kan worden veroorzaakt. Daarom worden lagere straffen opgelegd dan wanneer er opzet in het spel is.

Meijelse

Ik kan mij nog goed de Meijelse strafzaak herinneren die tijdens mijn studiejaren speelde. Een Poolse automobilist stond terecht, omdat hij een tweejarig meisje en haar grootouders had doodgereden. Toen de rechter in eerste aanleg een taakstraf van 120 uur en een voorwaardelijke rijontzegging van één jaar oplegde, gooide de vader van het meisje uit pure woede en frustratie een stoel naar de rechter.

De auteur van deze column, Rachella Szafranski, is werkzaam als slachtofferadvocaat.

Iedereen kon dat op tv en social media zien. Het was voor de rechtbank echter onvoldoende zeker dat de verdachte harder had gereden dan de toegestane maximumsnelheid. Om die reden konden de rechters de verdachte niet veroordelen voor dood door schuld in het verkeer (ex artikel 6 van de Wegenverkeerswet) maar slechts voor het verwijtbaar veroorzaken van hinderlijk gedrag in het verkeer (ex artikel 5 van de Wegenverkeerswet). Dat alles ondanks het feit dat er drie doden waren gevallen.

Hoger beroep

In hoger beroep werd de verdachte alsnog veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien maanden en een onvoorwaardelijke rijontzegging van vier jaar. Voor het hof stond wél met voldoende zekerheid vast dat de verdachte te hard reed. Het was de zwaardere kwalificatie, artikel 6 in plaats van artikel 5, die leidde tot een hogere straf.

Een recenter voorbeeld betreft de Pinkpop-zaak. Bij die aanrijding kwam een man om het leven, drie anderen raakten zwaar gewond. Het Openbaar Ministerie eiste achttien maanden celstraf en een rijontzegging van vijf jaar.

De rechtbank oordeelde dat de verdachte niet onvoorzichtig of onoplettend had gereden. Wel had hij de mensen die op de weg zaten, moeten en kunnen zien, en zijn snelheid moeten aanpassen. Ook werd het hem verweten dat hij na het ongeval is doorgereden. Een taakstraf van 120 uur en een rijontzegging van zes maanden vond de rechter passend. Daarop ging het OM in hoger beroep. Dat beroep loopt nog.

Aanmerkelijke

De doorslaggevende vraag is of de verdachte ‘aanmerkelijke schuld’ heeft. Er bestaan drie categorieën, oplopend in ernst en strafhoogte.

Ten eerste is er onoplettend en onvoorzichtig rijgedrag, bijvoorbeeld te hard rijden wanneer het zicht slecht is. Ook kan er sprake zijn van een grove verkeersfout, bijvoorbeeld veel te hard rijden en je passagiers geen gordel laten dragen.

De laatste categorie is roekeloos rijden, bijvoorbeeld onder invloed van alcohol en met een snelheid van 120 kilometer per uur over een landweggetje scheuren. Dat is tevens de zwaarste categorie. De rechter bepaalt altijd per zaak en aan de hand van de omstandigheden welke categorie van toepassing is.

Verschillende

De rechter is gebonden aan de straffen die er in de wet staan voor de verschillende delicten. De straffen die kunnen worden opgelegd zijn, afhankelijk van wat er bewezen wordt geacht, een boete, een taakstraf, ontzegging van de rijbevoegdheid en/of een (voorwaardelijke) gevangenisstraf.

Gaat het om een overtreding conform artikel 5 van de Wegenverkeerswet, dan volgt een relatief lichte straf: een maximale boete van 8700 euro en hechtenis van maximaal zes maanden. De maximale ontzegging van de rijbevoegdheid is twee jaar en bij recidive vier jaar.

Is de bestuurder schuldig en gaat het om een misdrijf conform artikel 6 Wegenverkeerswet, dan kan de rechter een beduidend zwaardere straf opleggen: een maximale boete van 21.750 euro en een maximale gevangenisstraf van negen jaar. De maximale ontzegging van de rijbevoegdheid is in dit geval vijf jaar en bij recidive 10 jaar.

Complexe

Straffen en verkeer; het blijft een complexe combinatie. Het is de taak van de rechter om steeds te kijken of iemand het verkeersdelict heeft gepleegd en zo ja, in hoeverre dat hem of haar te verwijten valt.

De rechter moet hierbij oorzaak en gevolg van elkaar scheiden én dat is nu juist wat vaak moeilijk te begrijpen is, al helemaal als er dodelijke slachtoffers zijn gevallen.

Vaak is er sprake van onherstelbaar leed. Dat leed is echter niet maatgevend voor de hoogte van de straf. Dat is de mate van schuld aan het ongeval. Naarmate de verwijtbaarheid groter is, wordt de straf ook hoger. Maar welke strafmaat er ook wordt gehanteerd; een straf zal nooit het leed en het verdriet ongedaan maken. Toch speelt het desondanks een grote rol bij de verwerking en het emotionele herstel. 

*Lees ook Rachella’s vorige column: over noodweer en noodweerexces.

Nog een klap, ditmaal van de politie

0

Onmiddellijk nadat mijn ex-vriend had gepoogd mij om te brengen, was er een goede opvang door de politie. Daarna gebeurde er niets, beschreef ik in mijn vorige column. Dat mijn familieleden en ik geregeld belden om navraag te doen, werd ons bovendien niet in dank afgenomen. Dat vormde zelfs de aanloop naar een volgende klap in mijn gezicht. Een figuurlijke, veroorzaakt door de woorden van een rechercheur.

Terug naar die voor mij en mijn familie zo moeilijke tijd.

Zeven weken nadat ik bij de hoek van mijn huis door mijn ex werd aangevallen, ging de bel. Ik liep naar de voordeur en zag door het raam dat er een agent op de stoep stond.

Camera’s

Nadat ik camera’s had laten installeren, durfde ik sinds een paar dagen weer thuis te zijn. Ik was bang in die tijd. Bang dat de man die mij zo’n zeven maanden lang had gestalkt en vervolgens uit het niets had toegeslagen, weer zou terugkeren. Hij was immers nog steeds niet opgepakt. Sterker nog: voor zover ik wist waren de autoriteiten nog tot geen enkele actie overgegaan.

Annemarie Timmermans, de auteur van deze column, is veiligheidskundige en coach.

En nu was daar ineens die politieman. Ik deed open en hij stelde zich voor als de wijkagent. ‘De officier van justitie heeft mij gevraagd om eens met u te gaan praten naar aanleiding van wat er is gebeurd, want jullie bellen ons zo vaak’, zei hij. ‘Mag ik binnenkomen?’.

Serieus

Natuurlijk mocht dat. Graag zelfs, want mijn familieleden, vrienden, buren en ikzelf hadden onderhand sterk het gevoel dat mijn zaak niet serieus genomen werd.

Eenmaal binnen vertelde ik aan tafel mijn verhaal. Ik zei verbaasd te zijn dat er nog altijd geen aanvraag voor uitlevering van mijn belager was gedaan. En ik lichtte toe hoe frustrerend het was dat dit bijvoorbeeld werd vertraagd door feestdagen. Er was sporenonderzoek toegezegd maar nog steeds niet verricht, liet ik de agent verder weten. En ik zei het opvallend te vinden dat hij nu langskwam omdat we kennelijk ‘te vaak hadden gebeld’ terwijl de politie niets deed.

Stand

We informeerden inderdaad regelmatig naar de stand van zaken. En om te weten te komen wanneer de technische recherche zou komen. Want de stille getuigen van de mislukte inbraak in mijn woning, lagen nog steeds in mijn achtertuin. De vermoedelijke sporen van een koevoet waren goed waarneembaar.

Het was naar om dat aldoor te moeten zien. Ik had alles bewust laten liggen omdat ik het sporenbeeld niet wilde verstoren maar werd er voortdurend mee geconfronteerd. Hoe lang zouden die sporen goed blijven, vroeg ik me bovendien vaak af.

Hoe meer tijd er verstreek tussen de aanval en het moment waarop mijn ex-vriend zou worden opgepakt, des te groter de kans dat ook de mogelijke verwondingen en blauwe plekken op zijn lijf verdwenen zouden zijn. Tijdens de aanval had ik hem namelijk een harde trap in zijn kruis gegeven.

Bewust

Mijn zus, een advocaat, stond me in die dagen goed bij. De ene keer telefoneerde zij met de politie, de andere keer deed ik dat. Meestal stemden we het af. We waren ons ervan bewust dat te contact opnemen niet zou helpen.

Foto ter illustratie. Afbeelding van Republica via Pixabay

Ik liet de wijkagent zien waar ik was aangevallen. De schade aan mijn ligusterhaag waar ik doorheen was gevallen was nog zichtbaar. De littekens van diepe krassen in mijn benen ook. Hij keek tevens naar de amateuristisch aandoende inbraaksporen aan de achterkant van mijn huis. Vervolgens zei hij dat hij het roerend met me eens was dat er te weinig aandacht voor mijn zaak kwam en beloofde hij ernaar te informeren op het politiebureau in Roosendaal.

Opnieuw

Een paar dagen later kwam de politieman opnieuw langs. Aan tafel, bij een kop koffie zei de wijkagent dat hij met een paar rechercheurs had gesproken. Een van hen had volgens de wijkagent gezegd: ‘Misschien is haar belager vorige week nog wel bij haar op de koffie geweest.’

Ik viel stil. Verbijsterd. Even wist ik simpelweg niet hoe ik moest reageren. Het voelde als een enorme klap in mijn gezicht. Ik kreeg het warm en koud tegelijk. Allerlei emoties gingen door me heen. Ongeloof, verontwaardiging, boosheid, ontzetting.

Zelfs nu – terwijl ik dit schrijf, acht jaar later – en me weer voor de geest haal wat dat met me deed, merk ik dat mijn hartslag omhoog gaat en dat de spanning in mijn lijf toeneemt.

Moeilijk

Ik dacht weer terug aan wat er allemaal gebeurd was. Liefst zeven maanden lang had ik gedurende de stalkingsperiode niet gereageerd op telefoontjes en berichten van mijn ex-vriend en daarmee precies gedaan wat van me verwacht werd. Dat was bij tijd en wijle ongelooflijk moeilijk geweest. Ik had het waarschijnlijk niet gekund zonder de hulp van een aantal vrienden bij wie ik steeds mijn frustratie, woede en angst kwijt had gekund.

Het was nota bene nog maar twee maanden geleden dat ik bijna door mijn ex-vriend was vermoord. En dan is er een rechercheur die zoiets durft te zeggen! Had hij überhaupt het dossier wel gelezen? Ik was in shock. Stamelend zei ik tegen de wijkagent dat ik het echt heel erg vond wat zijn collega had verteld. De wijkagent zag wat het met me deed en wist ook niet goed wat hij moest zeggen.

Verhalen

Uit verhalen in de media en boeken en vanuit gesprekken met andere slachtoffers weet ik dat het vaker voorkomt dat de communicatie met politie en justitie zodanig verloopt dat het voelt alsof je opnieuw wordt aangevallen. Juist door mensen die er dienen te zijn om je te beschermen.

Wat maakt dat een rechercheur zoiets zegt, heb ik me geregeld afgevraagd. Was hij misschien murw geworden? Kon hij zich nog wel verplaatsen in de impact van zo’n uitspraak op slachtoffers? Had hij er misschien niet bij stilgestaan dat zijn collega, de wijkagent, dit aan mij door zou geven? En wat was eigenlijk de reden geweest dat de wijkagent die uitspraken aan mij had doorverteld?

Ik vroeg me later zelfs af of ik dit liever niet had gehoord. Dat is natuurlijk onmogelijk te beantwoorden, want het was al gebeurd. Uiteindelijk werd deze enorme klap een van mijn drijfveren om met mijn verhaal naar buiten te komen.

Murw

Als veiligheidskundige heb ik in bedrijven vaak mensen gezien die om allerlei redenen murw zijn geworden. Van werknemers tot en met directieleden. Het gaat dan om mensen die gestopt zijn om zich druk te maken over zaken die niet goed verlopen. Vaak omdat ze voortdurend tegen spreekwoordelijke muren zijn opgelopen.

Afbeelding ter illustratie. Afbeelding van mohamed Hassan via Pixabay

Zij voelen zich niet gehoord en worden niet serieus genomen. Deze mensen hebben niet de veranderingen zien gebeuren die ze hadden voorgesteld of in gang hadden gezet. Het gaat om mensen die de moed hebben opgegeven dat het beter kan worden.

Bezuinigingen

Zou zoiets ook kunnen spelen bij de politie?  Er zijn zoveel bezuinigingen en reorganisaties binnen de politieorganisatie geweest; welke impact heeft dat gehad op dienders die ongetwijfeld ooit met veel enthousiasme en idealen bij de politie gingen werken? Wat doet het met iemand als je al die nare en minder nare situaties voorbij ziet komen terwijl je daar maar in beperkte mate invloed op hebt?

Wat is er nodig om de kans te verkleinen op vernietigende communicatie, die het al opgedane trauma alleen nog maar verergert?  Het is onmogelijk om zoiets helemaal te voorkomen, waarschijnlijk. We zijn immers mensen en zijn niet onfeilbaar. Maar ik hoop dat iedereen die te maken heeft met slachtoffers blijft reflecteren op de manier van communiceren. Met elkaar als collega’s en met slachtoffers.

*Lees hier de vorige column die Annemarie schreef.

Brief klokkenluider Roelie Post over kinderhandel ‘verdwenen’

1


Begin juli gaf ik minister Sander Dekker het advies om vooral eindelijk eens mijn klokkenluidersbrief over kinderhandel en interlandelijke adoptie te lezen. Dertig jaar geleden al was dit fenomeen alom bekend en werd besloten tot een nieuw systeem in de vorm van het Haagse Adoptie Verdrag.

Dat verdrag zou interlandelijke adoptie inbedden in de alledaagse kinderbescherming. Roemenië werd koploper bij de invoering ervan. Het systeem bleek echter nog steeds vatbaar voor corruptie en bovenal ‘schuurt het met de rechten van het kind’, om minister Dekkers’ woorden te gebruiken.

Inmiddels is alom bekend dat het systeem van interlandelijke adoptie niet voor verbetering vatbaar is. Het was mijn taak binnen de EU, als ambtenaar binnen de Europese Commissie, om dit probleem op te lossen. Dat kostte me de kop en daarover luidde ik dus de klok, in een brief die ik in februari naar minister-president Rutte stuurde, in zijn functie als voorzitter van de Europese Raad.

Aangewezen

Deze route is namelijk de aangewezen procedure: eerst intern het probleem aankaarten. Bij gebrek aan een oplossing, mag vervolgens de klok worden geluid bij andere Europese instellingen.

Als ambtenaar van de Europese Commissie kon ik me richten tot de voorzitter van het Europees Parlement, de voorzitter van de Europese Raad, en de Europees Ombudsman. Oh ja, ook tot de anti-fraude dienst, OLAF genaamd.

Ik deed het allemaal. Eerst intern. Toen een klacht bij OLAF. Het leidde tot niets.

Rutte

Daarna schreef ik een brief aan Martin Schulz, voorzitter van het Europees Parlement, met een kopie aan Mark Rutte, voorzitter van de Europese Raad. En er ging een kopie naar Emily O’Reilly, Europees Ombudsvrouw en de toenmalige voorzitter van de Europese Kinderombudsmannen, Nederlander Marc Dullaert.

Kinderen in een Roemeens tehuis rond de millenniumwisseling. foto: Roelie Post.

Die klokkenluidersbrief aan Martin Schulz ben ik samen met Arun Dohle van Against Child Trafficking persoonlijk gaan brengen. In Brussel heb ik ‘m overhandigd aan de juridisch adviseur van Schulz.

Een bespreking van zo’n tweeënhalf uur hadden we. De man verschoot van kleur en wilde eigenlijk de brief niet aannemen. Na enig aandringen deed hij dat wel en werd me een antwoord binnen twee weken toegezegd. Vele telefoontjes en mails later kwam de oorverdovende stilte.

Tactiek

Er was sprake van een tactiek van de verschroeide aarde, het verbranden van bewijs, zei hij eerder. En niemand bij de Europese Commissie kon bevestigen dat Roelie Post een klokkenluider was. Niemand. Niets aan de hand.

De Europees Ombudsvrouw en de Europese Kinderombudsman hielden zich eveneens muisstil. Van de voorzitter van de Europese Raad en de anderen in cc ontving ik evenmin een teken van leven.

Het was een chaotische tijd, waarin de Europese Commissie mij – zoals het veelal met klokkenluiders gaat – als psychiatrisch geval wegzette. En men mij met het stopzetten van salaris probeerde met terugwerkende kracht de ziektewet in te duwen. Om me uiteindelijk in een kafkaeske procedure te ontslaan, per 31 juli 2018. Zonder inkomen en mij opzadelend met een schuld van bijna een ton.

Twitterstorm

Mijn ontslag leidde tot een ware Twitterstorm én tot waardevolle contacten met Europarlementariër Dennis de Jong (SP) en Tweede Kamerleden Pieter Omtzigt (CDA) en Renske Leijten (SP). Gezamenlijk waren zij in staat ervoor te zorgen dat de Europese Commissie mij retroactief met vervroegd pensioen stuurde. Een halfbakken ‘oplossing’, zonder erkenning, eerherstel en afdoende financiële reparatie. Gedwongen, want met de rug tegen de muur – geen inkomen -, ging ik voorlopig akkoord.

Pieter Omtzigt diende een motie in die de regering verzocht om ‘first vice-president’ van de Europese Commissie Frans Timmermans op te dragen een oplossing te zoeken voor de klokkenluider (‘moi’) en voor het probleem van interlandelijke adoptie aangezien deze praktijken in Roemenië weer worden toegestaan.

Met als referentie de zogenaamde adoptiezaak van Sorina, een achtjarig meisje dat in 2019 met geweld van haar pleeggezin werd weggenomen om voor 30.000 dollar te zijn ‘bemiddeld’ aan een in de Verenigde Staten wonend Roemeens gezin. De beelden hiervan op het internet waren hartverscheurend.

Permanente

Bijna twee jaar later zijn we niet veel verder. Minister-president Rutte verwees de zaak door naar minister van Buitenlandse Zaken Stef Blok. Deze verzocht de permanente vertegenwoordiger van Nederland bij de Europese Unie, een soort ambassadeur, om contact op te nemen met Timmermans en anderen om tot een oplossing te komen.

Echter, waar de Tweede Kamer aangaf dat ik als klokkenluider moet worden gezien, doet de regering dat niet. Nee, geen klokkenluider, maar iemand met een arbeidsconflict, is het frame van de Nederlandse regering en aldus een zwakke boodschap. En… geen contact met Timmermans. Het bleef bij wat heen en weer gemail tussen Den Haag en Brussel.

Wob

Hoe weet ik dat? Wel, de enige manier om iets te weten te komen is vragen stellen. In Nederland via de wet op openbaar bestuur (wob), en in Brussel via regulation 1049/2001, het recht op openbaarmaking. Beide processen heb ik in gang gezet. Uitkomst: de Nederlandse wob gaf blijk van wat vage, redelijk vrijblijvende contacten die tot niets hebben geleid.

Een weeshuis in het Roemeense Cluj-Napoca, 1990. In werkelijkheid waren lang niet alle kinderen wees, maar bleken veel jongens en meisjes te zijn afgestaan aan instituten door ouders in geldnood. Grote aantallen Roemeense kinderen werden onder de noemer ‘adoptie’ naar het buitenland verhandeld. Foto: Jolande van der Graaf

De aanvraag tot inzage via de Brusselse EU-regels was zelfs erger. Timmermans en zijn kabinet gaven aan over geen enkel document te beschikken met betrekking tot mij. Niet echt overtuigend, vond ik, aangezien ik wist dat een behoorlijk aantal mensen Timmermans had aangeschreven met het verzoek mij als klokkenluider te beschermen. Dus diende ik een beroep in.

Het antwoord, in naam van het ‘college’ – zijnde de voltallige Europese Commissie – was dat die het standpunt van Timmermans aanhangt, namelijk ‘geen documenten met betrekking tot Roelie Post sinds 2015.’ Een bewijsbare leugen.

Niemand

Voor wat betreft Nederland, het ministerie van Justitie liet mij weten dat Algemene Zaken de brief had ontvangen, en wel op 15 februari 2019. Rutte had de brief niet gelezen, zoals minister Blok de Tweede Kamer al had laten weten. Tja… en toen? Niemand die iets met een brief doet. Een brief van een klokkenluider die een serieus probleem van kinderhandel aankaart. Waarom gebeurt daar niets mee?

In een laatste poging om dit alles te begrijpen heb ik nu een wob-verzoek gestuurd aan premier Mark Rutte: graag bewijs van registratie en ‘workflow’, oftewel aan wie is de brief ter afhandeling gestuurd? Ik heb ook mijn boek toegevoegd en een handgeschreven korte brief aan ‘Beste Mark’.

In afwachting van antwoord.

Wordt vervolgd.

*Lees ook Roelie’s vorige column over de kwalijke praktijken bij interlandelijke adoptie.



Mallorca-zaak: gevaarlijke hetzes en hysterische mediahypes

0

Over de zogeheten ‘Mallorca-schoppers’ zijn de meningen en heftige emoties in talkshows en sociale media gedurende de afgelopen weken niet te negeren. Neem aantijgingen als ‘rijke, verwende jongetjes, want afkomstig uit ’t Gooi.’ Of: ‘klassenjustitie, want de berechting is overgedragen aan Nederland.’ En zelfs: ‘inmenging van een officier van justitie vanwege een zelfde achternaam als een van de kennelijke verdachten.’

Je zou het wellicht kunnen wijten aan komkommertijd in medialand. Maar ik vind dit aanzienlijk ernstiger. Het gaat veel verder en kenmerkt een bepaalde wijze van nieuwsgaring en berichtgeving die onstuitbaar lijkt te zijn.

Namen

GeenStijl publiceerde de namen van vermeende verdachten die vervolgens klakkeloos werden overgenomen op Facebook en Twitter.

Een officier van justitie werd gebrandmerkt als moeder van een van de ‘daders’ – men spreekt allang niet meer over ‘verdachten’- de cirkel was rond en het volksgericht werd een feit.

Dit alles was zó kwalijk en gevaarlijk voor de betrokkenen dat het Openbaar Ministerie haar kostbare tijd moest besteden aan het uitsturen van een persbericht. Daarin is nadrukkelijk aangegeven dat er geen connectie is tussen een van de verdachten en een officier. Tout bekend Nederland mocht daar aan de desk van een nieuwsprogramma of bij een talkshow ook nog iets van vinden.

Caféruzie

In casu lijkt het te gaan om een caféruzie. In elk geval is het een afschuwelijk voorval in de nachtelijke uren, waarschijnlijk gepaard gaande met het nodige alcoholgebruik dat de herinnering in het algemeen niet in positieve mate beïnvloedt.

De auteur van deze column: strafrechtadvocaat Esther Vroegh

Iedere opsporingsambtenaar weet dat het in zulke zaken lastig is om exact te herleiden wat er is of zou kunnen zijn gebeurd. Zelfs al zijn er veel, meestal fragmentarische videobeelden of telefoonopnamen; iedere getuige heeft doorgaans een andere perceptie van wat al dat niet is voorgevallen.

Ook voor ons als strafrechtadvocaten is het tijdens een strafproces gecompliceerd om te kunnen vaststellen wat de aanleiding is geweest, en wie wat te verwijten valt en in welke mate.

Feitelijke

Die feitelijke handelingen, maar bijvoorbeeld ook verbale aanmoedigingen, kunnen het verschil maken tussen vrijspraak, openlijke geweldpleging (als groep) dan wel (poging tot) doodslag of zware mishandeling de dood ten gevolge hebbende.

Gedegen onderzoek en de mogelijkheid daartoe – zonder inmenging en kretologie van media en maatschappij – is van het grootste belang voor de waarheidsvinding en om contaminatie van bewijs verder te voorkomen. Ook het kunnen onderzoeken van alternatieve scenario’s zoals bijvoorbeeld een val of andere doodsoorzaak is, hoe pijnlijk dit mag zijn voor de nabestaanden, evident voor een wel of niet schuldig verklaring van de personen die later gedagvaard worden. 

Extreem

Deze zaak lijkt een extreem voorbeeld te zijn. Toch zien wij de afgelopen jaren dat media sinds de ontwikkelingen van de digitale nieuwsgaring en platforms als Twitter zich genoodzaakt lijken te voelen om de lezer of kijker te overvoeren met informatie die steeds ad hoc wordt aangeleverd.

In de huidige Nederlandse media prevaleert steeds vaker clickbait ten koste van de waarheid. Afbeelding van OpenClipart-Vectors via Pixabay

Een kwestie van vraag en dus aanbod? In hoeverre wordt de journalist nog de rust gegeven om aan feitenonderzoek te doen en hoor en wederhoor toe te passen?

Misdaad wordt als entertainment gezien. Men lijkt te vergeten dat het nagenoeg altijd om zwaar leed gaat met echte mensen in plaats van acteurs. Rouwende nabestaanden en slachtoffers, maar ook echte verdachten en veroordeelden.

Haat-liefdeverhouding

Voor een advocaat die een verdachte bijstaat, heeft dit soms iets ambivalents en kan een haat-liefdeverhouding met de media ontstaan. In geval van beperkingen mag een verdachte geen enkel contact hebben met de buitenwereld en alleen zijn of haar advocaat zien en spreken. De advocaat mag dan geen enkele uitlating doen over de verdenking, laat staan over het dossier, op straffe van vervolging en de tuchtrechter. Hoe frustrerend is het dan als het Openbaar Ministerie het ene na het andere persbericht laat verschijnen, berichten die vaak slaafs worden overgenomen door het journaille. 

Van ‘equility of arms’ is in die fase absoluut geen sprake. En ook dan geldt vaak het adagium dat slecht (lees: negatief) nieuws beter verkoopt dan positief nieuws zoals later een vrijspraak of sepot van het strafrechtelijk onderzoek. 

Onomkeerbare

Is dit een onomkeerbare opmars? Zolang men als ware nieuwsjunkie op elk moment van de dag op de hoogte wil zijn van ontwikkelingen in de rechtszaal en zowel de journalistiek als wij als procesdeelnemers daar ook gehoor aangeven, lijkt het mij een ingeslagen weg.

Keerzijde is dat alle nuanceringen en tegenstrijdigheden die gelukkig wel in de zittingszaal worden besproken, volledig wegvallen tegen de eenregelige Twitterberichten die in een razend tempo de wereld in worden geslingerd. 

Afbeelding ter illustratie. Afbeelding van JamesDeMers via Pixabay

Het voortijdig aan de digitale schandpaal hangen van betrokkenen wordt door rechters steeds meer verdisconteerd in een lagere strafmaat. Dat neemt echter niet weg dat men tot in lengte van dagen geconfronteerd en achtervolgd wordt met negatieve berichtgeving en stigmatisering. Dat verhoudt zich op geen enkele wijze met een zinvolle resocialisatie.

Bewustzijn

Is er een oplossing? Dat lijkt me niet eenvoudig. Wat meer bewustzijn over de genuanceerdheid en complexiteit in de opsporing en berechting zou al een mooi begin zijn. Ook het zwart-wit- en dader-slachtofferdenken zou wat meerdere tinten grijs mogen krijgen.

Of wellicht wat minder nieuwsconsumptie? De gemiddelde Nederlander kijkt ongeveer vier uur per dag televisie, nog afgezien van het voortdurende turen naar onlinenieuwsberichten.

In die tijd kun je heel wat mooie boeken lezen met staaltjes échte onderzoeksjournalistiek. 

* Lees ook Esther’s vorige column over de discutabele rol van de undercover-agent in de opsporing.

Misdaad om de hoek

Lieve Iris,


Oost west, thuis best is een bekend gezegde in Nederland. Nu het vakantie is, veel mensen op pad zijn en er ruimte en tijd is om wat na te denken, vraag ik me af of dat gezegde voor onze eigen woonplaatsen eigenlijk wel opgaat.

Zoals je weet woon ik al bijna mijn hele leven in Wilnis. Tijdens de eerste twee jaar van mijn studie heb ik in Leiden gewoond, maar nu ben ik weer terug in het oude, vertrouwde dorp tussen Amsterdam en Utrecht.

Wilnis telt ruim 6840 inwoners. Vlakbij ons dorp liggen de, in de criminele wereld ‘beruchte’ plaatsen Mijdrecht en Vinkeveen waar geregeld grote drugsvondsten werden gedaan en waar de onderwereld zonder twijfel gebruik maakte van deze dorpen.

Megavangst

Misschien herinner je je nog wel de megavangst van 235 kilo cocaïne en zes ton cash geld die in november vorig jaar gevonden werd in een loods aan de Herenweg in Vinkeveen. Dat had je misschien niet verwacht van zo’n klein dorp. Maar niets is minder waar.

Het leek mij leuk om jou kennis te laten maken met de criminaliteit die zich in deze dorpen heeft afgespeeld. Aangezien ik weet dat jij drugsvangsten iets minder interessant vindt dan levensdelicten, heb ik me op die laatste categorie gericht.

De auteurs van deze column: Nikki (links) en Iris, beiden student forensische criminologie in Leiden.

Neem nu Wilnis. Misschien ken je het van de dijkdoorbraak waardoor in 2003 vissen door mijn straat zwommen. Maar ik verwacht niet dat je een criminele gebeurtenis kan opnoemen die zich hier afspeelde.

Ik begin bij de oudste zaak die ik tegenkwam; de vondst van het negenjarige, Amsterdamse jongetje Bastiaan Bloemena in Wilnis in 1971. Het kind bleek op 4 augustus dat jaar jaar door Gerard S., ook wel bekend als de Donald Duck-colporteur, meegelokt naar diens woning.

Misbruikt

S. had die bijnaam gekregen omdat hij in Amsterdam-Zuid de Donald Duck bezorgde en jongetjes met zich meelokte. Zo ook Basje Bloemena. In het huis van Gerard S. werd Basje misbruikt en verwurgd. Het stoffelijk overschot van de jongen werd aangetroffen door een visser in Wilnis. Het lichaam was gewikkeld in een kleed. De herkomst van dit kleed werd later uitgebreid onderzocht, aangezien er maar 24 exemplaren van gemaakt waren.

Één kleed bleek in Nederland gebleven omdat er een weeffout in zat. Je zou denken dat dit spoor de politie naar Gerard S. had kunnen leiden. Helaas gebeurde dat niet en werd hij pas ontmaskerd in 1974 nadat hij nóg een slachtoffer had gemaakt.

Weer een kind was ten prooi aan S. gevallen. Dit keer niet was het niet een jongen, waarop S. – die op jongens viel – gehoopt had. Hij had een meisje ontvoerd omdat hij dacht dat zijn slachtoffer een jongen was en vermoordde haar uit woede toen hij ontdekte welk geslacht ze had. In 1975 werd Gerard S. veroordeeld tot twintig jaar gevangenisstraf wegens doodslag. Nadat in 1989 duidelijk werd dat zijn vervroegde invrijheidstelling niet zou worden verleend, pleegde S. zelfmoord. 

Slachtoffers


De onderwereld heeft ook hier, in de nabijgelegen dorpen slachtoffers gemaakt. Willem Holleeder was vaak te vinden in Vinkeveen, dus misschien heeft hij hier wel wat plannetjes bedacht en contacten gelegd. Zaken waarvoor hij nu terechtstaat. Momenteel dient zijn zaak in hoger beroep.

Holleeder wordt ervan verdacht dat hij opdracht heeft gegeven tot de liquidaties op Heineken-ontvoerder Cor van Hout, Willem Endstra, John Mieremet, kroegbaas Thomas van der Bijl en vastgoedhandelaar Kees Houtman. Deze liquidaties stonden centraal in het Passageproces, ook wel het proces van de eeuw genoemd.

Het Passageproces behelst zeven onderwereldmoorden en plannen tot liquidaties in de tijdreeks 1993-2006. In dit proces waren onder anderen Cor van Hout, Thomas van der Bijl en Kees Houtman de doelwitten.

Afkomstig

Verschillende verdachten zijn afkomstig uit de dorpen in deze omgeving. Zo zijn de veroordeelde Jesse R. en Mohammed R. (ook wel bekend als Moppie) geen onbekenden.

Jesse is de zoon van ‘godfather’ Greg R. en is opgegroeid in Vinkeveen. Mohammed emigreerde toen hij jong was van Marokko naar Mijdrecht, waar hij zijn jeugd doorbracht. Greg nam veel vriendjes van zijn zoons, onder wie ook Mohammed, in huis en was als een vader voor ze. Jesse en Mohammed werden zowel in eerste aanleg als in hoger beroep veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf.

Mijn moeder is eveneens opgegroeid in Mijdrecht en kent hun namen zoals veel andere inwoners ook doen. Toen tijdens een getuigenoproep in Opsporing Verzocht werd gevraagd wie een man die pantykousjes droeg kon zijn, wisten dan ook half Mijdrecht, Vinkeveen en Wilnis dat dit Jesse R. moest zijn.

Daar komt bij dat in het Passageproces tevens de moord op sportschoolhouder Tonnie van Maurik werd behandeld. Chai Pin S., Pinny S. genoemd, werd veroordeeld als opdrachtgeefster tot deze moord. Pinny was een prostituee die mishandeld en afgeperst zou zijn door Tonnie. Het toeval wil dat mijn moeder ook vaak bij Pinny over de vloer toen ze jong was.

Recente

Tot slot heb ik een recentere zaak. Wilnis kwam in het nieuws toen op 3 april 2019 in de berm aan de Amsteldijk een 54-jarige man dood werd aangetroffen.

Uit onderzoek is gebleken dat deze man de avond ervoor een vrouw van 45 aan de Landsherenstraat doodschoot. De schietpartij gebeurde rond tien uur ‘s avonds. De buurtbewoners deden een melding bij de politie na het horen van geschreeuw en schoten. De dader zou zijn weggerend waarna de toegesnelde bewoners het slachtoffer in de gang vonden in een plas bloed. Haar twee kinderen waren ook in de woning aanwezig.

Na dit tragische misdrijf beroofde de man zich van het leven. Zijn slachtoffer had in 2018 al meerdere keren melding gedaan van stalking door de man die haar uiteindelijk ombracht.

Benieuwd

Ik ben benieuwd wat zich bij jou in de buurt heeft afgespeeld. Dat is vast niks vergeleken met mijn opsomming.


Lieve Nikki,

De eerste gedachte die in mij opkwam toen je je afvroeg wat zich allemaal bij mij in de buurt heeft afgespeeld was ‘heb je even?’.

Mijn hele leven woon ik al in Rotterdam. In een grote stad zoals deze gebeurt eigenlijk elk uur wel iets. Als ik alles zou moeten vertellen wat zich in deze buurt aan misdrijven en delicten voordeed, denk ik dat ik na een tiendelige boekenreeks – waarbij elk deel zo dik is als een encyclopedie – nog niet klaar zou zijn.

Ik moet meteen denken aan bepaalde plekken in Rotterdam-West (ook wel het ‘Wilde Westen’ genoemd), Rotterdam-Noord (‘Noord Gestoord’) en niet te vergeten Rotterdam-Zuid en Rotterdam-Oost. Daar heb je plekken waar ik vroeger echt niet alleen mocht komen.

Vroeger

Als ik het over ‘vroeger’ heb, dan bedoel ik tijdens mijn basisschoolperiode en middelbare schooltijd. Inmiddels ben ik bijna midden twintig en kan ik in principe gaan en staan waar ik wil.

Rotterdam in al zijn glorie. Foto: Iris Charalampopoulos.

Toch denk ik dat mijn ouders, en dan voornamelijk mijn moeder, niet echt in hun handjes staan te klappen als ik vertel dat ik op die bepaalde plekken in Rotterdam ben geweest. En al helemaal wanneer dit na tien uur ‘s avonds was. Vaak zeg ik dan dat het eigenlijk niet uitmaakt waar je bent en op welk tijdstip. Als je pech hebt en de verkeerde tegen het lijf loopt, ondanks dat je helemaal niets met diegene van doen hebt, kan er overal iets ergs gebeuren. Een geval van ‘wrong place, wrong time’ om het zo maar te zeggen.

Nu weten mijn ouders ook wel dat ik de risicovolle plekken nooit expres zou opzoeken. Zo ook vorige week vrijdagavond, toen ik rustig met een aantal vrienden op een terras zat bij het Noordplein in Rotterdam. Gewoon een gezellig terras van een bar waar ik vaak genoeg kom om te weten dat het een zuivere zaak is.

Wijntje

Mijn vrienden en ik dronken rustig een wijntje, verorberden wat bitterballen en keuvelden over belangrijke en onbelangrijke zaken. Het was een rustige vrijdagavond, totdat ineens het hele plein blauw kleurde. En dan bedoel ik niet van de rook.

Ik knipperde een keer met mijn ogen en zag dat de hoek van het plein in een oogwenk afgeladen vol stond met politie. Kort daarna volgden ambulances. Sommige mensen op het terras keken nieuwsgierig om zich heen, anderen trokken de stoute schoenen aan en gingen even poolshoogte nemen. Behorend tot de eerste groep, bleef ik kalm zitten en nam ik nog maar een slok wijn. Zoals men in het Engels zegt: ‘Bad news travels fast.’ Ik had mijn wijn nog niet eens doorgeslikt toen ik hoorde dat er iemand was neergestoken.

Neergestoken

Op een terras zitten waarnaast iemand is neergestoken, is niet echt een normale gang van zaken. Het viel me op hoe stoïcijns iedereen bleef. Niet dat ik had verwacht dat mensen zou gaan gillen of huilen. Het was meer van: “Er is net iemand neergestoken!” Met als reactie: “Oh, oke.” Meteen daarna werden er alweer drankjes aan de bar gehaald. Dat zet je wel aan het denken. Ik zei net dat het niet de normale gang van zaken is. Maar voor velen kennelijk wel?

Wanneer ik ‘steekincident Rotterdam’ google, is het nieuwste bericht (ten tijde van het schrijven van deze column) nog geen dag oud. Ook de steekpartij op het Noordplein komt naar boven, en een aantal andere incidenten van de afgelopen tijd. Daarnaast zijn er veel berichten over de politie die bepaalde steek- of vuurwapens in beslag heeft genomen. Wat ook opvalt, is dat bij dit soort zaken vaak minderjarigen betrokken zijn. Zowel als dader als al slachtoffer.

Cijfers

In januari 2021 publiceerde RTV Rijnmond een artikel. Daarin is vermeld dat ‘het aantal steekincidenten in Rotterdam het afgelopen jaar bijna gelijk is gebleven aan het jaar ervoor. In 2020 waren er 89 steekincidenten, in 2019 ging het om 93 steekincidenten.’ Het is jammer dat ik niet precies heb bijgehouden op hoeveel incidenten Rotterdam nu zit. Maar als ik dat wel had gedaan, dan zou ik me gebaseerd hebben berichtgeving in de media. Waarschijnlijk zijn er ook incidenten geweest die de media niet hebben gehaald. Het is daarom de vraag hoe betrouwbaar die cijfers zouden zijn.

Ik ben benieuwd hoe de berichtgeving in januari 2022 luidt. Nog meer van zulke misdrijven? Of juist minder? De tijd zal het leren, maar ik zie het somber in. Toch zit ik ook vrijdagavond weer op hetzelfde terras. Laten we hopen dat de messen dan alleen gebruikt worden waarvoor ze zijn bedoeld. In de keuken van de bar, om tosti’s te snijden bijvoorbeeld. Die zijn daar trouwens erg lekker. Ga je volgende keer mee als je in Rotterdam bent? Good place, good time!

Liefs,

Iris

*Lees ook de vorige column van Nikki en Iris over seriemoordenaar Charles Sobhraj!

Moreel trauma: als ’t juiste is geschonden

3

De afgelopen maanden heb ik op deze site verschillende gebeurtenissen beschreven waardoor mijn moeder en ik in de nasleep van de moord op mijn zus volledig uit balans raakten. Ik stond al eerder stil bij het feit dat Nadia’s gruwelijke dood slechts het begin bleek van een horror-rollercoaster die niet maanden, maar jaren bleef doorrollen.

Pascal F. is als dader de hoofdschuldige; hij heeft mijn zus willens en wetens omgebracht. Ik denk dat er geen discussie over hoeft te bestaan dat zijn gedrag een lange celstraf rechtvaardigt. Door Nadia te doden heeft Pascal haar recht op leven vernietigd. Dat alles heeft ertoe geleid dat onze gevoelens van veiligheid, direct beschadigd zijn. Een van de kenmerken van ptss is dat er sprake is (geweest) van direct levensbedreigend gevaar voor de betrokkene zelf of voor een belangrijke naaste.

Overtuigd

Hoewel Pascal weigerde om inzage te geven in zijn psychische gesteldheid, waren zowel de rechercheurs als het observatieteam van het Pieter Baan Centrum ervan overtuigd dat het niet anders kon zijn dan dat hij een ernstige, psychiatrische stoornis heeft. De aanwezigheid van een psychiatrische ziekte rechtvaardigt Pascals daad niet. Het bood mijn moeder en mij echter wel een kader van waaruit wij de moord op mijn zus enigszins konden plaatsen.

De auteur van deze column: nabestaande Lucinda van de Ven.

Het innerlijke conflict waar ik veel langer mee heb geworsteld en waar ik nog steeds niet klaar mee ben, is de betrokkenheid van zijn ouders. Van de recherche maar ook van een docent die op Pascals middelbare school werkzaam was, hebben wij begrepen dat hij als puber al ernstige gedragsproblemen vertoonde. Daardoor belandde hij meermaals op het politiebureau.

De details van die vergrijpen zijn mij niet bekend, maar dat hij een jeugdstrafblad heeft is wel zeker. Ook hebben de ouders herhaaldelijk van verschillende mensen en instanties (school, politie, artsen), het dringende advies gekregen om Pascal te laten onderzoeken en behandelen door een psycholoog of kinderpsychiater. Toch hebben zij consequent geweigerd om dat advies uit te voeren.

Onbegrijpelijk

Voor mij zijn hun beslissingen onbegrijpelijk. In mijn visie zoek je hulp wanneer je bij herhaling erop wordt gewezen dat je kind ontoelaatbaar gedrag vertoont dat voor ernstige problemen zorgt.

Ook nadat Pascal als jongvolwassene zowel zijn zus als moeder ernstig had mishandeld – het geweld dat hij gebruikt had was zelfs zo groot, dat het door zijn ouders aangevraagde straatverbod door de politie werd toegekend – drongen zij er nog steeds niet bij hem op aan dat hij hulp zocht voor zijn agressieproblematiek. Dat zijn ouders twee dagen voor de moord op Nadia weigerden om hem te ontslaan van zijn verantwoordelijkheden als huisbaas – ook niet nadat hij daar nadrukkelijk om had gevraagd – past in de lijn van hun ontkennende gedrag.

Afbeelding ter illustratie. Afbeelding van Pam Simon via Pixabay

Een vraag die mij lange tijd heeft beziggehouden is of Nadia’s dood voorkomen had kunnen worden. Stel nu dat zijn ouders Pascal F. hadden gerustgesteld en dat vader F. huisbaas was geworden van de huurders aan de Weerdsingel WZ in Utrecht – onder wie mijn zus – was alles dan anders verlopen? Kleeft het bloed van mijn zus indirect ook aan de handen van Pascals ouders? Ik ben van mening dat het antwoord op deze vraag zonder meer ja is.

Schok

Dat de ouders niet veroordeeld konden worden voor hun verwerpelijke handelen op basis van de wet op het verschoningsrecht, was een grote schok voor ons. Toch ging het hier achteraf ‘slechts’ om de eerste schok. De tweede schok, trof ons veel dieper en heeft nog steeds verstrekkende gevolgen in mijn persoonlijk leven.

Dat trauma ontstond geleidelijk. Het begon met de bewustwording dat onze emotionele belangen als nabestaanden ondergeschikt zijn aan de belangen van Pascal als verdachte en in tweede instantie als dader. De overheid biedt verdachten en daders tijdens hun strafproces en gedurende hun detentie haast ongebreidelde en gesubsidieerde, juridische hulp.

Toch steunde diezelfde overheid mijn moeder niet toen zij problemen ondervond bij het verhalen van haar schadevergoeding op de moordenaar van haar kind. Mijn emotionele en materiële schade heb ik zelfs nooit kunnen verhalen op Nadia’s moordenaar. Dit omdat de belangen van broers en zussen als benadeelde partij in de tijd dat de strafzittingen tegen Pascal F. dienden, nog niet erkend werden! Gelukkig is dat laatste inmiddels veranderd.

Vervolgd

Dat de ouders in juridische zin niet konden worden vervolgd voor hun daden, neemt niet weg dat hun gedrag in ieder geval voor mijn moeder en voor mij alle morele normen ver te buiten ging. Met hun ontkennende gedrag voorafgaand aan de moord, de hulp bij Pascals vlucht in de maanden na de moord, het tegenwerken van het rechercheonderzoek en het belasteren van de naam van mijn zus, hebben de ouders consequent datgene gedaan wat ik niet versta onder ‘juist en goed’ handelen. Zij waren mijns inziens als individuen moreel gezien aansprakelijk en medeverantwoordelijk voor het gedrag van hun zoon.

Toch treft mijn verwijt niet alleen de ouders. Ik neem het vooral de overheid kwalijk ons als nabestaanden in de steek te hebben nagelaten door mijn moeder – terwijl zij emotioneel en financieel zwaar onder druk stond en zonder dat zij beschikte over gedegen juridische voorkennis – pionierswerk te laten verrichtten. Door het immorele handelen van de overheid had mijn moeder geen andere keuze dan via een civielrechtelijke procedure alsnog te proberen Pascal en de ouders aansprakelijk te stellen voor haar schade en gederfde arbeidsinkomsten.

Veronderstelling

Tot Nadia’s dood was ik (en velen met mij) in de naïeve veronderstelling dat wij leven in een rechtvaardig land. Een land waar het een van de belangrijkste taken van de overheid is om de belangen van álle burgers te beschermen. Toen steeds duidelijker tot ons doordrong dat het Nederlands strafrecht aanzienlijk beter voorziet in het behartigen van de belangen van verdachten, ten opzichte van de belangen van slachtoffers, raakte ons gevoel voor rechtvaardigheid voorgoed beschadigd.

Afbeelding ter illustratie. Afbeelding van chenspec via Pixabay

Binnen de militaire context wordt de blijvende beschadiging van iemands gevoel voor rechtvaardigheid nadat hij of zij herhaaldelijk machteloos heeft moeten toezien dat ‘dat wat juist en goed is’ (meestal door superieuren) werd overtreden, geduid als het hebben van een ‘moreel trauma.’

Diagnose

Een moreel trauma is geen officiële medische diagnose. Er is op dit moment nog onvoldoende bekend over de oorzaken en lange termijn-implicaties. Duidelijk is dat er een verschil is tussen een moreel trauma en ptss (posttraumatisch stress syndroom). Ptss is een behandelbare, psychische aandoening waarbij iemands gevoel voor veiligheid in ernstige mate is beschadigd. Bij een moreel trauma gaat het voornamelijk om iemands gevoel voor rechtvaardigheid dat is aangetast. Ptss en een moreel trauma kunnen gezamenlijk of apart voorkomen.

  • *Hier kun je meer achtergrondinformatie lezen over de betekenis van ‘moreel trauma’.

**Lees ook Lucinda’s vorige column: het verloop van de tbs-behandeling van Nadia’s moordenaar

DONEER!

Schrijven en onderzoek doen kost tijd. Steun Femke Fataal met een maandelijkse bijdrage of doneer bij een artikel. Dan kun jij mijn verhalen blijven lezen.
doe een donatie