Een jongeman is slachtoffer geworden van een ernstig geweldsmisdrijf, maar de politie is ‘vergeten’ daarover zijn ouders te informeren. Pas zes uur later ontdekken de ouders via de sociale media dat hun kind ernstig gewond is en in een operatiekamer ligt, vechtend voor zijn leven…
Dit is een van de vele situaties waarmee ik in mijn werk als casemanager bij Slachtofferhulp Nederland te maken krijg.
De auteur van deze column is Mirjam van Zuijlen, casemanager bij Slachtofferhulp Nederland.
Mijn naam is Mirjam van Zuijlen. Ik ben moeder van vier zoons en een dochter die alle vijf zijn opgegroeid tot mooie, jonge volwassenen. Inmiddels ben ik tevens oma van drie kleinkinderen. Twee dagen ben ik zelfs fulltime-oma en pas ik op. Een fijne tegenhanger van mijn werk, want op die momenten kan ik mijn energie weer opladen en volop genieten van het hier en nu.
Samen
Casemanager zijn bij Slachtofferhulp Nederland is een boeiend en uniek vak mogen uitoefenen. Ik doe dat samen met 36 andere collega’s door het hele land.
Mijn werk bestaat uit het ondersteunen van nabestaanden na een moord en van slachtoffers van ernstige gewelds- en zedendelicten. Deze mensen krijgen steevast te maken met een reeks aan gevolgen. Denk dan bijvoorbeeld aan een complex rouwproces of bijvoorbeeld aan de veelomvattende, juridische gang van zaken die zij moeten doormaken.
*tekst gaat door onder foto*
Casemanagers van Slachtofferhulp ondersteunen nabestaanden en slachtoffers. Foto ter illustratie. Photo by Priscilla Du Preez on Unsplash
Ondanks het feit dat ik dit nu dertien jaar doe, kom ik toch steeds weer heel bijzondere situaties tegen. Het is verrassend om te zien hoe veerkrachtig mensen kunnen zijn. Ook de situaties waarin mensen zijn beland, lopen enorm uiteen. Ik zou er een boek over kunnen schrijven! Maar laat ik beginnen met deze eerste column op FemkeFataal.nl.
Strafrecht
Het Nederlandse strafrecht draait vooral om de verdachte. Voor slachtoffers en nabestaanden geldt dat zij maar een kleine rol hebben in die juridische procedure. Een van mijn taken is om mijn cliënten daar zo goed mogelijk over te informeren en voor te bereiden op wat er gaat komen.
Zo heeft een slachtoffer recht op inzage van het strafdossier, op een gesprek met de behandelend officier van justitie, op het uitoefenen van het spreekrecht, op een schadevergoeding en op kosteloze bijstand van een slachtofferadvocaat. Die rechten zouden vanzelfsprekend moeten zijn. Maar helaas kom ik het nog te vaak tegen dat het op dit vlak helemaal niet goed gaat.
Zoals bij die jongeman die slachtoffer werd van een ernstig geweldsdelict, zó ernstig zelfs dat hij in een revalidatiekliniek moet verblijven.
Vechtend
Al vanaf het begin gingen zaken mis. Zo diende de politie de ouders van deze jongeman te informeren. Maar dat gebeurde niet. De agenten hadden de ouders niet thuis aangetroffen en hadden vervolgens geen andere stappen ondernomen om de vader en moeder op te sporen en in te lichten. Pas zes uur later hoorde het ouderpaar van de kritieke toestand van hun zoon, nota bene via sociale media. Op dat moment lag hun kind in de operatiekamer, vechtend voor zijn leven. Je moet er niet aan denken!
Woede en onmacht lopen als een rode draad door dit dossier. In de loop van de tijd volgde er een gesprek met de zaaksofficier van justitie. Vanwege de toen nog van kracht zijnde corona maatregelen mochten er niet teveel mensen bij die bespreking aanwezig zijn. De vader van de ernstig gewonde jongeman was verhinderd. Om die reden kwam een ander, zeer betrokken familielid met de moeder van het slachtoffer mee.
Afspraken
Op voorhand had ik daar duidelijke afspraken over gemaakt met het Openbaar Ministerie. Op de dag zelf had ik bovendien voor alle zekerheid even met het parket gebeld. “Jullie zijn er toch van op de hoogte dat er iemand anders dan de vader meekomt naar het gesprek met de officier”, vroeg ik nog. Daar werd bevestigend op geantwoord. Alles is geregeld, kreeg ik te horen.
Maar pal voordat de bespreking zou beginnen en ik met de auto onderweg was naar het gerechtsgebouw, werd ik gebeld door iemand van het OM. “De officier van justitie heeft bedenkingen en wil dat de moeder alleen komt”, luidde toen de mededeling.
Omdat ik in deze zaak al te vaak de boodschapper van het slechte nieuws was geweest, kaatste ik de bal. ‘Dan mag de officier van justitie dat zelf aan mijn cliënt gaan vertellen’, zei ik.
Anders
Aangekomen bij de rechtbank bleken de zaken opeens wéér anders te liggen en was er plots wel toestemming dat het andere familielid ook aanschoof. Vereiste was wel dat we mondkapjes droegen en die ophielden, wat niemand van ons bezwaarlijk vond.
Voor slachtoffers is zo’n gesprek met een officier van justitie meestal heel beladen. Iedereen zal begrijpen dat mensen dan erg nerveus zijn en elke tegenslag als zeer heftig ervaren. Ik was dan ook opgelucht dat we toch zonder gedoe het gesprek konden ingaan.
*tekst gaat door onder foto*
Slachtoffers en nabestaanden krijgen te maken met een reeks aan complexe, emotionele en ingrijpende gevolgen. Foto ter illustratie. Afbeelding van Free-Photos via Pixabay
Alweer had ik te vroeg gejuicht. Want toen we eenmaal in de zaal zaten, zei de officier van justitie bij binnenkomst dat er naar zijn smaak teveel mensen in de ruimte aanwezig waren. Zo wilde hij niet praten, was zijn reactie.
Tranen
Na al dat heen en weer geslinger en de zoveelste tegenslag, barstte mijn cliënt uit in tranen. Ik probeerde de situatie onder controle te krijgen en stelde snel voor dat ik de zaal zou verlaten. Ook de slachtofferadvocaat was namelijk gearriveerd en zo kon het betrokken familielid in ieder geval bij de moeder van de jongen blijven.
En toen gebeurde het. De officier van justitie zei vervolgens dat dat allemaal niets uitmaakte en dat er sowieso geen familieleden van het slachtoffer bij de bespreking mochten zijn. Dat alles vanwege ‘het recht van privacy van de verdachte.’
Mijn cliënten ontploften. Logisch ook. Wie houdt er nu eindelijk eens rekening met hun rechten als slachtoffers?
Pauze
Ik móest iets ondernemen om deze impasse te doorbreken, bedacht ik me, en ik vroeg daarom om een korte pauze. Ik ben als casemanager van Slachtofferhulp belangenbehartiger van mijn cliënten, maar ook de politie en het OM zijn onze ketenpartners. Op dat moment diende ik dus op te komen voor de positie van mijn cliënten, de officier uit te leggen wat dit allemaal met mijn cliënten deed en tegelijkertijd ook duidelijk aan te geven dat deze gang van zaken niet door de beugel kon.
Tijdens een schorsing kon ik in ieder geval proberen om de gemoederen te bedaren en kreeg ik de kans om de officier van justitie dringend te verzoeken om zijn besluit te heroverwegen.
Gelukkig lukte dat. Na een pauze werd het gesprek hervat, iedereen mocht in de zaal blijven zitten. Maar de bijeenkomst verliep verder uiteraard verre van ontspannen en de nare nasmaak voor mijn cliënten bleef.
Deuk
Als je al weinig rechten hebt en zulke dingen als slachtoffer moet meemaken, dan loopt het vertrouwen in de rechtspraak begrijpelijkerwijs een ernstige deuk op.
Er zou nog meer volgen, die bewuste dag. Onderweg terug naar het kantoor van Slachtofferhulp Nederland werd ik opnieuw opgebeld door het Openbaar Ministerie. In een andere zaak bleek door het OM te zijn besloten om een zitting bij de strafrechter uit te stellen omdat een getuige-deskundige niet aanwezig kon zijn. Of ik maar even mijn cliënt daarover wilde inlichten.
Spanning
Ik slaakte een diepe zucht. De rechtbankzitting was over vier dagen gepland. Al maanden had mijn cliënt naar die datum toegeleefd en nachten wakker gelegen vanwege alle spanning om de strafzaak. Hoe moest ik dit slechte nieuws in vredesnaam weer gaan brengen?
Vaak moet ik strijden voor de rechten van mijn cliënten, maar tegelijkertijd dien ik tevens tactisch en diplomatiek te manoeuvreren. Om die reden omschrijf ik mezelf meestal maar als een pitbull met een roze strikje. Ik laat aan ieders verbeelding over hoe dat eruitziet.
Wie herinnert zich nog de IRT-affaire? In dit opsporingsschandaal in de jaren negentig ging het om enorme partijen drugs die bewust door politie en justitie werden doorgelaten met het oogmerk om uit te vinden welke personen achter de drugssmokkel zaten. De politiek wilde er destijds vanaf – onder meer vanwege geconstateerde ‘wildgroei in opsporingsmethoden’ – en voerde een verbod op doorlaten in. Dat verbod is vermeld in artikel 126ff van het Wetboek van Strafvordering en heeft de bevoegdheden van de politie beter gereguleerd.
Auteur van deze column: strafrechtadvocaat Bo Maenen.
Het doorlaatverbod bevat de verplichting voor de politie om verboden en schadelijke voorwerpen in beslag te nemen op het moment dat de politie weet heeft van het bestaan van die goederen. Daarnaast moet de vindplaats van de goederen bekend zijn. Als de politie en douane bijvoorbeeld weten dat een schip vol met cocaïne de haven van Rotterdam binnenvaart, dan zullen de opsporingsdiensten de drugs eruit moeten halen. Meestal wordt een klein monster teruggeplaatst en wordt de container gevolgd om verdachten aan te kunnen houden.
Personen
Het artikel spreekt dus uitdrukkelijk over goederen. Maar hoe zit het met personen? Op de hoogte zijn van een grote hoeveelheid drugs is één ding, maar wat als het de politie bekend is dat het om mensensmokkel gaat?
Bij de invoering van het artikel heeft de Tweede Kamer daar uitgebreid over gesproken. De werking van het doorlaatverbod werd vervolgens uitgebreid. Doordat bij misdrijven zoals mensensmokkel en -handel en wederrechtelijke vrijheidsberoving de menselijke waardigheid direct in het geding is, is ook het doorlaten van personen, zodra zij in het kader van de opsporing zijn geconstateerd, niet aanvaardbaar. De politie is verplicht om in te grijpen zodra zij van deze misdrijven op de hoogte is.
Praktijk
In de praktijk gebeurt dit echter lang niet altijd. Vooral als er spanningen zijn tussen verdachten onderling lijkt de politie – met medeweten van de officier van justitie die het onderzoek leidt – vaak een oogje dicht te knijpen.
*tekst gaat door onder foto*
Foto ter illustratie. Foto door MART PRODUCTION via Pexels
Zo ook in de zaak van mijn cliënt Jan* die onbedoeld betrokken was geraakt bij een bespreking na een ripdeal. Jan werd tijdens dat gesprek opgesloten en geslagen met een knuppel. Hij liep kneuzingen en blauwe plekken op. Daags na de mishandelingen hield de politie hem aan op verdenking van het uiten van een bedreiging. Uit digitale PGP-berichten in de zaak lijkt het alsof Jan daartoe is aangezet door zijn belagers.
De politie had kunnen – en wat mij betreft – ook móeten ingrijpen. De mannen die Jan opsloten, maakten immers gebruik van PGP-toestellen. Zij stuurden elkaar berichten over Jan, over de locatie van de bespreking, over het mishandelen van hun slachtoffer en over het gegeven dat ze Jan hadden bevolen om strafbare feiten te plegen. De politie kon deze PGP-berichten door een hack live meelezen. De recherche zag dus dat het in dit dossier van kwaad tot erger ging, maar mijn cliënt kon niet op ingrijpen door de politie rekenen. Dat terwijl het doorlaatverbod een actieve verplichting daartoe voor de politie inhoudt.
Gevolgen
Welke gevolgen kan dit hebben voor de strafzaak van Jan?
De Hoge Raad oordeelde eerder dat aan het overtreden van het doorlaatverbod geen gevolgen worden gegeven op het moment dat de verdachte geen nadeel heeft. Als men drugs doorlaat, dan heeft een verdachte daar geen nadeel van. Maar als een verdachte fysiek wordt aangevallen, de politie verzuimt om in actie te komen en de verdachte ook nog eens onder druk wordt gezet om strafbare feiten te gaan plegen, dan is er wel degelijk een nadeel.
Inmiddels heb ik verzocht om opheldering over de vragen hoe dit allemaal is verlopen en waarom de politie niet tot actie kwam. Afhankelijk van wat het Openbaar Ministerie naar voren brengt, zal de rechtbank hier iets van moeten vinden. Naar mijn idee zouden de rechters flinke gevolgen aan het politieoptreden moeten verbinden zodat het doorlaatverbod in de toekomst weer beter nageleefd wordt.
*Jan is een gefingeerde naam.
**Meer lezen van strafrechtadvocaat Bo Maenen? Kijk dan ook hier voor haar column ‘Forensische zorg en het strafrecht’.
Met mishandelingen word ik als slachtofferadvocaat voortdurend in mijn praktijk geconfronteerd. Mishandelingen kunnen behoorlijk complexe juridische vraagstukken opwerpen. Ik merk steeds vaker dat met name één vraag nagenoeg altijd tot discussies leidt. Dat is de vraag die betrekking heeft op de aard, de ernst en de zwaarte van het letsel dat het slachtoffer heeft opgelopen. Is er sprake van zwaar lichamelijk letsel?
Afgelopen week stond ik een cliënt bij die slachtoffer is geworden van zo’n geweldsmisdrijf.
Hij werd door de verdachte in elkaar geslagen en geschopt tegen zijn hoofd en liep diverse breuken in zijn gezicht op. Steeds weer ben ik dan verbaasd over de vragen die gesteld worden om te komen tot een bewezenverklaring van het zwaar lichamelijk letsel.
Getrapt
Vragen als: “Met wat voor soort schoen werd er getrapt? Waren het kistjes, sandalen of sneakers? Met welke kracht is er getrapt? Op welk deel van het hoofd kwamen de schoppen terecht?”
Begrijp me niet verkeerd; ik snap dat zulke vragen gesteld moeten worden, maar is het al niet erg genoeg dat er tegen het hoofd wordt getrapt? Dat het hoofd als een voetbal wordt gebruikt? Ongeacht het schoeisel?
Het is algemeen bekend dat het hoofd een kwetsbaar – zo niet hét kwetsbaarste – onderdeel van het menselijk lichaam is. Bovendien valt het aan slachtoffers bijna niet uit te leggen waarom het een wel en het ander niet als zwaar lichamelijk letsel wordt aangemerkt.
Fundamentele
Toch zijn het fundamentele vragen, omdat de antwoorden een verhoogde strafmaat kunnen opleveren. Een eenvoudige mishandeling levert een maximale gevangenisstraf van drie jaar op, terwijl een eenvoudige mishandeling met zwaar lichamelijk letsel tot een maximale gevangenisstraf van vier jaar kan leiden.
De delictsomschrijvingen zoals die zijn opgenomen in het Wetboek van Strafrecht lijken op het eerste gezicht helemaal niet zo problematisch. Maar zoals vaker in het recht is het niet zo eenvoudig als dat het lijkt. De wettekst geeft aan: “een ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing overlaat of resulteert in voortdurende ongeschiktheid tot beroepsoefening”.
Wijzer
Daar word je niet echt wijzer van. Volgens vaste rechtspraak is het aan de rechter om te beoordelen of er sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Hoe moet de rechter die vraag beantwoorden? Hij is immers geen medicus. We weten allemaal dat het meten van pijn een subjectieve aangelegenheid is, maar toch komen vragen over letsel en pijn in strafzaken voortdurend aan de orde.
Ik vergelijk dat met de vraag die iedereen vast en zeker een keer is gesteld: “geef de pijn eens aan op een schaal van 1 tot 10?”. Wat ik ondraaglijk vind, wordt door een ander wellicht alleen als een vervelend gevoel ervaren. Je zou denken dat het simpelweg overleggen van een doktersverklaring voldoende is, maar dan ben je er nog niet.
Aangegeven
Gelet op de uiteenlopende vormen waarin lichamelijk letsel zich kan voordoen, kan er niet precies worden aangegeven wanneer letsel nu als zwaar wordt aangemerkt.
De Hoge Raad geeft in een overzichtsarrest een paar factoren waarop de rechter zijn beslissing baseert. Die drie basisfactoren zijn de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en tenslotte het uitzicht op (volledig) herstel. Een combinatie van die factoren is ook mogelijk, bijvoorbeeld wanneer er meerdere verwondingen zijn. Dan kan het letsel in zijn geheel worden beoordeeld.
De zaak, waarop de Hoge Raad zich baseert, betrof een mishandeling waarbij het slachtoffer enkele keren met een vuist in het gezicht was geslagen en gestompt, met als gevolg een gebroken kaak en een afgebroken tand.
Fracturen
Fracturen die een operatie vereisen, worden doorgaans aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel. Gebitsschade in beginsel niet, maar een ander oordeel is mogelijk mits dat wel goed wordt gemotiveerd.
Het ontbreken van uitzicht op herstel is volgens de Hoge Raad niet doorslaggevend. De genezingsduur is wel een relevante factor. Daarbij is tevens van belang in hoeverre er tijdens de genezingsduur sprake is van pijn en (fysieke) beperkingen. Ook restschade is relevant. Denk bijvoorbeeld aan littekens. ’s Lands hoogste rechtscollege kent gewicht toe aan het uiterlijk en de ernst van het litteken. Er wordt gekeken naar de mate waarin het litteken het lichaam ontsiert en of het litteken pijnklachten geeft of heeft gegeven.
Ik illustreer dat met een ander voorbeeld uit de praktijk. Het betreft opnieuw een mishandelingszaak waarbij het slachtoffer een blik bier tegen het hoofd kreeg gegooid door verdachte. Het slachtoffer liep een ernstige snijwond boven het linkeroog op. De wond moest worden gehecht en ontwikkelde zich tot een blijvend en ontsierend litteken. Daardoor moet het letsel worden aangemerkt als zwaar lichamelijk.
Interpreteren
De Hoge Raad heeft met deze rechtspraak de rechter een aantal aanknopingspunten geboden om te komen tot zwaar lichamelijk letsel. Het is iets, maar meer dan dat ook niet. Het blijft daarmee een kwestie van interpreteren. Ik ben benieuwd hoe de rechter mijn zaak van afgelopen week interpreteert. Over twee weken is de uitspraak bekend.
*Lees ook de vorige column van slachtofferadvocaat Rachella Szafranski: ‘Marteling van slachtoffer lijkt slechte maffiafilm’.
Roelie Post was Europees ambtenaar bij de Europese Commissie in Brussel en deed langdurig onderzoek naar adoptie en kinderhandel.
Het was een bijzondere vertoning, drie weken geleden, toen Sander Dekker als demissionair minister voor Rechtsbescherming in de kwestie ‘interlandelijke adopties’ het boetekleed aantrok. Bij zijn aantreden van vier jaar geleden was Dekker’s beeld op dat vlak gekleurd door persoonlijke ervaringen. De bewindsman heeft namelijk geadopteerde familieleden.
Op basis van die positieve ervaring zag Dekker destijds geen aanleiding het advies van de Raad van Strafrechttoepassing en Jeugdzorg op te volgen. Dat advies in 2016 hield in dat het beter zou zijn om interlandelijke adopties te stoppen. De zwakheden in het adoptiesysteem achtte de raad systemisch. Er werd gesproken over perverse effecten van interlandelijke adoptie op lokale kinderbescherming. Zo’n beetje wat de Europese Commissie in een veel verder verleden in Roemenië had vastgesteld.
Heikele
Vorige maand gaf Sander Dekker toe dat hij zijn mening naar aanleiding van het rapport-Joustra echter heeft bijgesteld. De minister benoemde nu zelfs het heikele onderwerp van subsidiariteit, en sprak over spanning: ‘een echte spanning met het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind’.
Hij vroeg zich af of adopties uit de Verenigde Staten eigenlijk wel kunnen. En adopties uit EU-lidstaten? Bovendien, hoe zit het met het accepteren van het exporteren van Roma-kinderen voor adoptie; maakt Nederland zich daarmee schuldig aan het accepteren van discriminatie, vroeg hij zich af. Dekker stelde hardop een hele reeks vragen.
De bewindsman, die in februari nog namens de demissionaire regering zijn excuses aan geadopteerden aanbood, kwam niet met een besluit over hoe het verder moet. Dat schuift hij door naar de volgende regering.
Bizar
Je kunt het als positief beschouwen dat deze minister na vier jaar eindelijk kritische vragen stelt over subsidiariteit en kinderrechten. Tegelijkertijd is het totaal, maar dan ook echt totaal bizar.
Even een terugblik.
In 2007 kwam mijn boek ‘Romania for Export Only, the untold story of the Romanian ‘orphans’ ‘uit. Tegelijkertijd was er ophef over een in India gekidnapped kind dat door Nederlandse mensen zou zijn geadopteerd en ‘witgewassen’ via het officiële adoptiesysteem. Het leidde tot verhitte discussies in media en parlement.
Kinderhandel was aan de orde van de dag in Roemenië, kort na de val van dictator Nicolae Ceausescu. Foto: Jolande van der Graaf
Rond die tijd werd ik door het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) van het Ministerie van Justitie en Veiligheid gevraagd om een artikel te schrijven voor het themanummer ‘Adoptie onder Vuur’, van het door hen uitgegeven vakblad Justitiële Verkenningen.
Haarscherp
De door de redactie gekozen titel was haarscherp: ‘Het perverse effect van het Haagse Adoptieverdrag’. Ik beschrijf daarin hoe de Europese Unie in conflict kwam met de VS over subsidiariteit.
Een fragment uit mijn artikel uit die tijd:
‘Het belangrijkste gesprekspunt: in welke gevallen komen kinderen beschikbaar voor interlandelijke adoptie? De meeste aanwezigen vonden pleegzorg of residentiële zorg geen geschikte zorg. De EU-onderhandelaars achtten deze vormen, op grond van de praktijk in de toen vijftien EU-lidstaten – mits adequaat uitgevoerd – wel passende zorg. Dit belangrijke struikelblok komt voort uit het verschil in benadering tussen het Haags Adoptieverdrag en het VN-verdrag Inzake de Rechten van het Kind (IVRK), artikel 21b.’
Leidend
De EU stelde uiteindelijk dat dit kinderrechtenverdrag leidend is en dat Roemenië, net als andere ‘oude’ lidstaten geen kinderen naar het buitenland kon sturen als ‘kinderbescherming’. Het land en de andere lidstaten dienden deze taak zelf op zich te nemen.
En weer volgde een rapport: van de commissie-Kalsbeek (2008), met de betekenisvolle titel ‘Alles van waarde is weerloos’ (een bekende dichtregel van Lucebert).
Er werd in vastgesteld dat interlandelijke adoptie het subsidiariteitsbeginsel niet mocht ondermijnen en lokale kinderbescherming niet mag verhinderen. In de debatten die zouden volgen, probeerde toenmalig Justitieminister Hirsch Ballin (CDA) in te zetten op een correcte toepassing van kinderrechten bij interlandelijke adoptie. Hij haalde echter bakzeil. De Tweede Kamer stelde het ultra-vage begrip ‘in het belang van het kind’ boven het subsidiariteitsbeginsel.
Stoppen
Het jaar daarop, 2009, kwamen er wederom heftige debatten. De minister wilde de adopties vanuit de VS stoppen, nu dit land het Haagse Verdrag had geratificeerd. Nu diende ook de VS het subsidiariteitsbeginsel te volgen. Helaas, zoals zo vaak, de weerloze kinderen werden door de politiek niet gehoord. Ondanks de vele kritiek bleef alles zoals het was.
Gezegd moet worden dat de lobby die door de adoptiebureaus werd losgelaten op de Tweede Kamerleden enorm was. Tot aan een tv-spektakel met Paul de Leeuw en adoptieouders met Amerikaanse kindjes als een soort kers op de taart.
In het kader van deze discussie heb ik in die tijd in naam van Against Child Trafficking (ACT) diverse Tweede Kamerleden aangeschreven om het begrip subsidiariteit nog eens onder de aandacht te brengen, met daarbij een focus op het verschil in interpretatie door de adoptiewereld (Haags Adoptie Verdrag) en het VN-kinderrechtenverdrag. Behalve een paar bedankjes kreeg ik een zeer snelle en duidelijke reactie van toenmalig Tweede Kamerlid Fred Teeven: “De VVD is het niet met u eens.” Waarvan akte.
Adoptieschandalen
Vele adoptieschandalen verder, eind 2016, en inmiddels een adoptiesector in crisis vanwege dalende cijfers, was er dus het rapport van de Raad van de Strafrechttoepassing en Jeugdzorg: ‘Bezinning op adoptie’. Een heldere stellingname en veel verwijzingen naar mijn eerdere werk. Perverse effecten, subsidiariteit.
De situatie in Roemeense ‘weeshuizen’, begin jaren negentig, was vaak afgrijselijk. Koude, armoede, onvoldoende voedsel en nauwelijks medische zorg. Foto: Jolande van der Graaf.
Toenmalig staatssecretaris Klaas Dijkhoff en minister Sander Dekker (beiden VVD) legden de uitkomst naast zich neer. Het moest beter. Maar adoptie moest zeker niet stoppen, was hun credo.
Weer vijf jaar later ligt er het rapport-Joustra over adopties uit het verleden waaruit het volgende kabinet conclusies moet trekken voor de toekomst.
Verbazingwekkend
Gezien deze hele voorgeschiedenis is het verbazingwekkend dat Dekker pas nu komt met kritische opmerkingen over subsidiariteit. Die discussie is immers al heel lang gaande: sinds de Europese Commissie het aan de orde stelde in Roemenië. Van die discussie moet het Nederlandse ministerie van Justitie en Veiligheid goed op de hoogte zijn, aangezien een van hun ambtenaren deel uitmaakte van de groep van EU-experts die Roemenië, op verzoek van de Europese Commissie, hierin adviseerde.
Misschien wilden Dekker en zijn voorgangers het niet weten. Is het adoptiedossier, zoals een hoge ambtenaar mij te kennen gaf: ‘zo’n hete aardappel waarin al zoveel gebeurd is en dat de EU al twintig jaar niet meer durft aan te pakken’? Ons land klaarblijkelijk ook niet?
Schending
Interlandelijke adoptie en de huidige uitleg van subsidiariteit – ‘spanning met kinderrechten, wringt met het Verdrag van de Rechten van het Kind’ volgens Minister Dekker. In het kort: een flagrante schending van de rechten die jongens en meisjes hebben.
Sander Dekker vindt dat de kwestie van ‘subsidiariteit’ nu opnieuw moet worden bezien. “In het verleden hebben we gezegd: wij kunnen leven met deze uitleg van de subsidiariteit. Nu, met het rapport van Joustra in de hand, wil ik dat opnieuw wegen.”
Deze schending van kinderrechten, de interpretatie van ‘subsidiariteit’, bracht ik als Europees ambtenaar in het verleden aan het licht, mede door het onder de aandacht brengen van een aantal organisaties en EU-lidstaten die samenspanden met betrekking tot de handel in kinderen. De toen zichtbare lobbylanden waren Frankrijk, Italië, Spanje, de Verenigde Staten en Israel. Ik had toen nog geen idee dat het Nederlandse ministerie van Justitie hier ook een rol in zou gaan spelen.
Weten
Minister Sander Dekker, wilt u het echt weten? Weten waarom interlandelijke adoptie, zoals u stelde, nog steeds is toegestaan terwijl het wringt met de Rechten van het Kind? Wellicht doet u er dan dan goed aan mijn klokkenluidersbrief uit 2016 eens te lezen.
Dat wil zeggen, als u die brief met tachtig pagina’s aan bijlagen kunt vinden. Uw ambtenaren van het Ministerie van Justitie en Veiligheid kunnen er namelijk al wekenlang geen spoor van vinden, zo wijst mijn verzoek onder de Wet op Openbaar Bestuur, beter bekend als de WOB, uit.
*Lees ook Roelie’s vorige column: ‘Vragen over adoptie van omgekomen, Hongaars meisje’.
Update: Dit verhaal is voor het eerst gepubliceerd op deze website op 2 juli 2020, toen Adri negentien jaar vermist was. Vandaag, 2 juli 2021, is dat twintig jaar geleden en plaats ik het opnieuw. Al twintig jaren weten zijn vrouw, kinderen, kleinkinderen en overige familieleden en vrienden niet waar Adri is gebleven. Twee decennia van wurgende onzekerheid, verdriet, wanhoop en helemaal niets weten.
Kun jij je voorstellen dat je dierbare zomaar en van het ene op het andere moment in het niets verdwijnt? Dat je nooit meer iets van hem of haar hoort? Gisteren deed Adri’s dochter Dineke haar wanhopige verhaal op Facebook. ‘Pa, morgen twintig jaar terug dat jij bent weggereden en nooit meer thuis bent gekomen. Wetende dat je niet meer leeft en door een misdrijf bent omgekomen. Dit is heel heftig omdat we jouw lichaam nog steeds niet hebben gevonden. Hoe erg dingen ook zijn, je moet ze een plek geven. Maar wij kunnen dat nog steeds niet. Geen plek. Geen rouw. Alleen die blijvende onrust, van jou niet kunnen vinden’, schreef Dineke onder meer.
Als de dader dit leest: geef Adri eindelijk terug aan zijn familie. Laat deze mensen tenminste weten waar hij is, zodat zij Adri een waardige, laatste rustplaats kunnen geven.
Als de politie dit leest: Fred Westerbeke, nu hoofdcommissaris, bood de familie Knops ooit zijn excuses aan vanwege bar slecht politieonderzoek in deze zaak. Het wordt nu tijd om dat onderzoek eindelijk opnieuw en ditmaal goed te doen.
***
‘BEN ZO WEER TERUG, HOOR!’
“Ik ga even een testritje maken. Ben zo weer terug.” Precies twintig jaar geleden stapt Adri Knops uit Spijkenisse met die woorden in de auto van zijn vrouw en rijdt fluitend de straat uit.
Het is het laatste dat ooit nog van de gepensioneerde vrachtwagenchauffeur wordt gezien, constateer ik met oud-rechercheur Dick Gosewehr in ons boek ‘Moordsporen’. We waren het er als auteurs en onderzoekers snel over eens; als er een top 10 van slechte, Nederlandse politieonderzoeken zou bestaan, dan gooit deze zaak hoge ogen. De politie stapelde fout op fout in de naspeuringen naar Adri. Het zou echter lang duren voordat het OM dat tegenover zijn nabestaanden zou toegeven.
Voor dit verhaal gaan we terug naar de zomer van 2001, krap twee maanden voor de terroristische aanslagen in de VS die de wereld radicaal zullen veranderen. Voor de familie Knops uit Spijkenisse staat eveneens een omwenteling op til. Onverwacht en ongekend dramatisch.
Zonnig
Aanvankelijk verloopt de dag van maandag 2 juli 2001 voor de 63-jarige Adri en zijn vier jaar jongere echtgenote Mien heel normaal. Het is zonnig, de temperatuur stijgt snel. In hun woning aan de Molenlaan, gelegen in een rustige, uit de jaren vijftig daterende buurt bij het centrum van Spijkenisse, is het paar vroeg uit de veren. Adri en Mien hebben een druk programma, ze moeten de komende weken heel wat voorbereidingen treffen voordat ze op reis kunnen gaan.
Mien Knops, echtgenote van Adri.
Als boksliefhebber wil Adri bovendien nog wat aan zijn conditie werken want tegenwoordig leeft hij stukken gezonder en bewuster en oefent hij elke dag op de boksbal in de tuin.
De motorboot van Mien en Adri staat sinds kort te koop. Alle aandacht gaat nu uit naar de nieuwste aanwinst, een tweedehands caravan die ze pas hebben gekocht. Het echtpaar wil er binnen een paar weken mee gaan rondtrekken.
De caravan is oud maar verkeert in goede staat. Er zijn slechts een paar kleine mankementen die Adri moet verhelpen. Daar heeft de vroegere trucker alle tijd voor. Zeven jaar eerder ging hij met de vut. Sinds zijn vertrek bij een plaatselijk grondverzetbedrijf genieten Adri en zijn vrouw volop van de vrijheid.
Punctueel
Het echtpaar Knops is het gewend om hun dagen volgens een vast ritueel in te delen. Huiselijk en vooral punctueel. ’s Morgens samen ontbijten, tegen twaalf uur aan de lunch. Een kop koffie of thee rond een uur of twee, om vijf uur de warme maaltijd. Ze wijken er maar hoogstzelden van af.
Na het ontbijt gaat Adri naar de boot die in de haven van het naburige Heenvliet ligt. Aangezien zijn auto, een Toyota, een aardige slok benzine lust, gebruikt hij zoals vaker Miens witte Suzuki Alto.
In de boot liggen schone werkkleren en gereedschap dat hij nodig heeft. Adri stopt de spullen in een plastic tas, sluit de kajuit af en rijdt dan weer naar Spijkenisse.
Bijstellen
Gedurende het ritje over het Zuid-Hollandse eiland Voorne-Putten merkt hij dat de Suzuki van Mien stationair niet soepel loopt. Thuis vertelt Adri haar dat hij de wagen even gaat bijstellen. Hij heeft in zijn leven veel motoren voorbij zien komen en krijgt dat meestal zelf voor elkaar.
De Spijkenisser rommelt nog wat in huis, drinkt ’s middags zijn thee en trekt dan een overall over zijn spijkerbroek en donkerblauwe Adidas T-shirt aan. “Ik ga even een testritje met de Suzuki maken. Zie je zo weer”, zegt hij nog tegen zijn echtgenote.
Omdat hij niet van plan is om lang weg te blijven, neemt Adri behalve zijn huissleutels verder niets mee. Rond half drie rijdt hij weg, een bekende in de nabijgelegen Jan van Zutphenstraat ziet het witte autootje voorbij komen.
Bloemkool
Mien gaat ondertussen naar de supermarkt. Hun jongste zoon Wim komt straks eten en ze wil hem bloemkool met worst, zijn lievelingsmaal, voorschotelen. Als ze een uurtje later terug komt, is Adri nog niet thuis.
Tegen zessen slaat Miens stemming om. Het eten staat allang op tafel maar Adri is in geen velden of wegen te bekennen. Waar hangt hij toch uit? Haar man zit altijd stipt om vijf uur aan tafel. Mocht hij een keer wat later zijn, dan is dat hooguit een kwartier.
“Het was rond die tijd dat mijn telefoon ging en mijn moeder me voor de eerste keer belde”, vertelt Dineke, de dochter van Adri en Mien, als ik haar een paar weken later voor de krant interview.
“Ik dacht er toen nog niet veel van en stelde mijn moeder gerust”, gaat ze verder. “Misschien was mijn vader een vriend van hem tegengekomen, in gesprek geraakt en de tijd vergeten. Toen ze twee uur later opnieuw contact opnam, werd ik nerveus. Dit paste niet bij mijn vader. Dit deugde voor geen meter.”
Argwaan
Ook Wim krijgt argwaan, hij slaat aan het bellen en zoeken. Kees, de oudste broer van Wim en Dineke, denkt ondertussen vanuit zijn woning in Ooltgensplaat telefonisch met hen mee.
Wim kijkt eerst rond bij de boot van zijn ouders, vervolgens kamt hij met de auto Spijkenisse uit. Bij het plaatselijke Ruwaard van Puttenziekenhuis vraagt hij of zijn vader er misschien is opgenomen. Een baliemedewerker checkt de bestanden, er is niemand met die naam binnengebracht.
Wim loopt zelfs de ziekenhuizen in de omgeving af of te checken of zijn vader daar is opgenomen. Dat blijkt niet het geval…Afbeelding van Silas Camargo Silão via Pixabay
Wim zet dan koers naar het plaatselijke politiebureau. Er wordt schouderophalend gereageerd en amper naar zijn verhaal geluisterd. De dienstdoende agenten geven aan dat eerst een termijn van 24 uur moet zijn verstreken voor de politie iets kan ondernemen. Ze willen er onder geen beding van afwijken. Het is vooral de openlijke desinteresse bij de politiemensen die Wim als pijnlijk en beledigend ervaart. Gevoelens die hij niet meer zal kwijtraken.
Contact
Rond elf uur in de avond heeft hij weer contact met zijn zus. Dineke besluit naar Spijkenisse te gaan om zich bij haar moeder en broer te voegen.
“Alle spullen van mijn vader bleken nog in huis te zijn. Zijn portemonnee, bankpasje, rijbewijs en zijn medicijnen had hij niet bij zich. We konden hem niet bellen, want mijn vader was wars van mobiele telefoons. Hij had niet eens een gsm.”
Er wacht Mien, Wim en Dineke een bange, lange nacht. Geen van de vrienden en kennissen weet waar Adri is gebleven. Adri is er de man niet naar om zomaar en zonder bericht weg te blijven. Hij is een echte familieman, heeft een prima huwelijk met Mien en onderhoudt een hechte band met zijn kinderen en kleinkinderen. Paniek maakt zich van Mien, Wim en Dineke meester als de volgende ochtend geen van de buren iets bijzonders heeft gezien.
Weinig belangstelling
Wim gaat die dag, dinsdag 3 juli, opnieuw naar de politie, maar er is weinig belangstelling. Adri’s familie mag pas later in de middag terugkomen, Wim en Dineke doen dan alsnog aangifte.
Inmiddels hebben de twee een manier bedacht om het nieuws over hun spoorloze vader zelf op grote schaal bekend te maken.
Sociale media stellen in die tijd nog niets voor. Samen zetten ze razendsnel een pamflet in elkaar met Adri’s signalement en hun mobiele telefoonnummers. Misschien zijn er getuigen die iets hebben opgemerkt en die op hun oproep gaan reageren. Dezelfde dag al hangen de twee overal pamfletten op.
En dat levert opmerkelijke informatie op.
De oproep van Adri’s kinderen bereikt tevens een bekende van de familie Knops. Het gaat om Henk uit Heenvliet, een jeugdvriend en een kennis van Adri, die zich opeens iets bedenkt en de telefoon pakt.
Verleden
Henk en Adri hebben een heel verleden. Ze groeiden allebei op in Nieuwesluis, een nabijgelegen buurtschap dat met de aanleg van het Botlekgebied geheel werd gesloopt en onder meters zand verdween. Ook op later leeftijd waren Henk en Adri elkaar weer tegengekomen in de haven van Heenvliet waar beiden een boot hadden en jarenlang in het havenbestuur zaten.
Nieuwesluis, het dorp waar Adri en Henk hun jeugd doorbrachten.
Als hij in juli 2001 hoort dat Adri zomaar weg is, belt Henk meteen met Wim en vertelt over het bizarre voorval, een dag na de vermissing.
Op dinsdag 3 juli zat Henk op de racefiets om te gaan buurten bij voormalige collega’s in de Botlek, toen hem de Suzuki van Mien tegemoet kwam rijden. Hij zwaaide nog. Tot zijn stomme verbazing zat niet Adri maar een onbekende man achter het stuur.
Wim maakt driftig notities van Henks getuigenis en speelt de informatie gelijk door aan de politie.
Tweede getuige
Er is nog een tweede getuige die zich bij de familie meldt. Een vriend van Wim, een fervent voetballer, heeft de Suzuki maandagavond 2 juli al gezien. De auto was toen geparkeerd op een parkeerplaats langs de Kruisnetlaan in Hoogvliet, vlakbij woonwijk Zalmplaat, de voetbalvelden en de grienden langs de Oude Maas. Een dag erna stond het wagentje er volgens die kennis nog steeds.
Hij weet alleen zeker dat de auto toen in een ander vak was geparkeerd.
Miens Suzuki wordt er op woensdag 4 juli 2001 daadwerkelijk leeg teruggevonden. Toch blijft de politie Spijkenisse zich terughoudend en passief opstellen.
Dineke: “Toen we er gingen kijken, vroeg de politie of mijn vader kon zwemmen. Natuurlijk kon hij dat. Het deed er amper nog toe, want de agenten hadden al bedacht wat mijn vader moest zijn overkomen. Hij moest bij de grienden zijn gaan wandelen en het kon niet anders, beweerden ze, of hij was in het moerassige gebied gestruikeld of er gaan zwemmen en verdronken. Absurde ideeën. Alsof mijn pa daar in zijn eentje, gekleed in zijn overall in de hitte zou gaan rondlopen.”
Sporen verdampt
De politie checkt Miens teruggevonden Suzuki alleen vluchtig op bloedsporen en kogelgaten.
Dineke: “‘We kunnen verder niets onderzoeken, want sporen als vingerafdrukken en DNA zijn in de felle zon gesmolten en verdampt,’ vertelden ze ons. Een hondenman van de politie liep ondertussen met zijn herder in de omgeving rond te speuren. Ik hoor het hem nog triomfantelijk zeggen: ‘Ik weet het al hoor.’ Er was geen twijfel mogelijk, zei hij, het moest wel zelfmoord zijn. Wat we ook aan argumenten inbrachten, de politie was niet op andere gedachten te brengen’.”
Ter illustratie: afbeelding van een vingerafdruk. Afbeelding van ar130405 via Pixabay
Pas een week later wordt Mien door de politie gehoord. De twee vrouwelijke agenten die haar allerlei vragen komen stellen, lijken volgens Mien vooral te willen horen dat ze vaak ruzie heeft met haar man.
Hart
Mien ontkent dat geduldig en legt het politiekoppel uit dat Adri en zij zelden of nooit woorden hebben. Er zijn geen problemen, alles ging goed, drukt ze de agentes op het hart.
Opvallend genoeg heeft Henk die thuis in Heenvliet door dezelfde rechercheurs wordt bezocht, een soortgelijke ervaring. Bij hem wordt eveneens geïnformeerd of het huwelijk van zijn vrienden wel bestendig is. Bovendien wordt er keer op keer gevraagd of Adri misschien activiteiten ontplooit die “het daglicht niet kunnen verdragen.”
Dat irriteert Henk, want zijn makker is verre van crimineel. Hij is een gepensioneerde vrachtwagenchauffeur die van zijn gezin, van bootjes en van reizen houdt. Adri mag een keer een haas hebben gestroopt en illegaal palingen hebben gevangen, verder valt er weinig spannends over hem te vertellen, zegt Henk tegen de twee rechercheurs.
Actief
De familie Knops laat het er niet bij zitten. Dineke en Wim stappen actief op de media af. De twee kloppen in die tijd ook bij mij aan. Op 13 juli schreef ik een eerste artikel in De Telegraaf over de alarmerende vermissing. Ook ik vermoedde destijds meteen dat het om een misdrijf moest gaan. Maar een zegsman van de politie had uiterst terughoudend gereageerd.
“Iedereen heeft het recht om weg te lopen,” was zijn commentaar geweest. “Wij denken niet aan een misdrijf.” Ik liet hem weten dat de feiten andere taal spreken en had hem uitgedaagd met meer vragen. Die wilde de zegsman niet beantwoorden.
Kort erna cirkelt een politiehelikopter boven de grienden bij Hoogvliet en enkele andere plekken waar Adri volgens de politie kan zijn. Het Rotterdams Dagblad schrijft er een bericht over. Op 21 juli 2001 citeert de krant Peter Havelaar, dan chef van de districtsrecherche Spijkenisse.
Leven
‘Het is wachten op een teken van leven,’ zegt de politieman onder meer in het RD. ‘We hebben onze uiterste best gedaan om Adri Knops te vinden, maar hebben verder geen aanknopingspunten. Dan houdt het op. (…) De zoekactie was eigenlijk al een extraatje op de normale procedure. Een geste naar de familie. We wilden hen graag van dienst zijn.’
Halverwege juli doorzoekt hondenbrigade Westervoort met speurhonden en boten met duikers het gebied bij de grienden van Hoogvliet. Een maand later doet de hondenbrigade dat nog een keer over. Ik mag dan mee met de zoekgroep, zwetend het snikhete terrein in. Uren later geven we het op. Er is alweer geen spoor van Adri.
Stil
Dagen worden weken, weken worden maanden, maanden worden jaren. Tot groot verdriet van de familie Knops blijft Adri zoek. Wim en Dineke nemen nog regelmatig contact op met de recherche maar worden steeds van het kastje naar de muur gestuurd. Twee anonieme ansichtkaartjes met merkwaardige teksten ontvangt de familie nog in de loop der jaren. Maar verder blijft het stil.
In september 2004 belt Wim Knops me plotseling weer op. Hij wil zijn verhaal doen want hij is woedend, zegt hij. Dat Adri’s jongste zoon nog maar enkele weken te leven heeft, kan ik op dat moment niet bevroeden.
Wim vertelt dan dat zich een nieuwe getuige bij hem heeft gemeld die de Suzuki van zijn moeder destijds heeft gezien. Op een afgelegen plek bij de Hartelbrug, niet ver van de Spijkenisser jeugdbajes De Hartelborgt.
Jongemannen
Volgens deze getuige stond de motorkap van de Suzuki open en liepen twee licht getinte jongemannen op het wagentje af. Toen dezelfde getuige een paar uur later opnieuw voorbij fietste, zag hij op die plek naar eigen zeggen alleen een bril met gouden montuur op de grond liggen.
Wim was er nog gaan rondkijken, maar had de bril niet meer gevonden.
Ik besluit de informatie van deze derde tipgever op te nemen in een achtergrondverhaal, waarin ik tevens de lakse houding van de politie in een aantal soortgelijke vermissingszaken belicht.
Dat de pers zich met cold cases bemoeit, bevestigt oud-rechercheur Bert Santema in die tijd, vindt de politie allesbehalve prettig. “De politie is bang dat de zwakke plekken in de organisatie daarmee bloot komen te liggen. Er mocht eens worden ontdekt dat er gewoon jarenlang niets is gebeurd in zo’n zaak”, zegt hij onder meer.
Schandknaapje
In de reportage laat ik Wim Knops aan het woord over zijn laatste ervaringen met de politie. “Ik mag niet meer met de politie bellen, gaf een agent me te verstaan. Mijn vader was er volgens hem vast en zeker met zijn vriendinnetje of met een schandknaapje vandoor gegaan. Dus waar had ik het over, zei hij.”
Het beeld van Wim, briesend van woede langs de waterkant bij de Hartelbrug ben ik nooit meer vergeten. Zijn verontwaardiging en boosheid zijn oprecht, ik kan me zijn gevoelens op dat moment dan ook goed voorstellen.
Wim kan er evenmin over uit dat de politie weigert om zijn familie inzage te geven in het politiedossier uit 2001. Ook dat neem ik in de reportage op.
Noodlot
Het is de laatste keer dat ik hem zal ontmoeten. Drie weken later, in oktober 2004, krijg ik een telefoontje van Dineke. Haar jongste broer is plotseling overleden op de Nederlandse Antillen. Wéér heeft het noodlot deze familie getroffen. Weer een storm van verdriet die over Mien, Dineke en Kees Knops raast. Hoeveel ellende kan een mens eigenlijk meemaken?
In 2007 verhuist het dossier-Adri Knops naar het coldcaseteam van de politie Rotterdam. Dat brengt de familie echter helemaal niets. Er wordt, twee jaar nadien, slechts een dna-afname gedaan bij Dineke en haar oudere broer Kees. Dit om vergelijkings-dna te hebben, mochten ooit stoffelijke resten worden gevonden die van hun vader kunnen zijn. “Ondanks hun mooie woorden en beloftes blijven de rechercheurs verder op hun handen zitten,” vertelt Dineke. “Het coldcaseteam doet alsof ze zaken aan het onderzoeken zijn. Maar daar geloven we echt niet in.”
Onderzoek
Vanaf 2009 neem ik de zaak op verschillende momenten met oud-rechercheur Dick Gosewehr in onderzoek en praat ik opnieuw met de familie, getuigen en andere betrokkenen.
Ons onderzoek zal steeds weer tot één waarschijnlijkheidsscenario leiden: moord, met een hoofdletter M.
Advocaat Job Knoester
Dankzij de inspanningen van advocaat Job Knoester die de familie Knops is gaan bijstaan, hebben we drie jaar later het politiedossier van het coldcaseteam Rotterdam voor ons liggen.
Dat ging niet zonder slag of stoot, Job moest in deze zaak naar de rechter om de stukken in handen te krijgen. ‘Dossier’ is overigens een groot woord. Het stapeltje papier bestaat uit een niet-afgesloten en niet-ondertekend, ongedateerd en geanonimiseerd proces-verbaal van welgeteld vijf pagina’s. Bijgevoegd zijn nog geen zestig bladzijden aan bijlages, stukken die afkomstig zijn van de politie Spijkenisse en die dateren uit 2001.
Viltstift
Iemand heeft er geestdriftig de zwarte viltstift in gehanteerd. Zelfs de naam van de politieman van het coldcaseteam die het proces-verbaal schreef, is zwart gemaakt. “Misschien schaamt hij zich voor dit belabberde politiewerk,” oppert Dick.
We laten de feiten de revue passeren en houden die tegen het politiedossiertje aan. Adri Knops kwam niet terug van het testritje met Miens auto en dat is op zijn zachtst gezegd vreemd. Dat hij panne kreeg, onwel raakte of bij een verkeersongeval betrokken raakte, valt uit te sluiten. Navraag bij het plaatselijke ziekenhuis en bij andere politiedistricten had immers niets van dien aard naar boven gebracht.
In de avond van maandag 2 juli stapte Wim voor het eerst naar de politie met zijn alarmerende verhaal, maar gebeurde er niets. De volgende morgen keerde hij er terug. In het rapport staat dat hij zich om 09.22 uur bij de balie van het politiebureau aandiende.
Mutatie
Een mutatie, een soort melding, vermeldt er het volgende over: ‘De vermiste Adrianus Willem Knops is kerngezond en er is geen sprake van depressiviteit of iets dergelijks. Hij is weggegaan in een Suzuki Alto voorzien van het kenteken NK-03-VH. Er is hier een bericht voor alle wagens van gemaakt dat op 2 juli al is verspreid. In overleg voorlopig maar een vragenlijst meegegeven omdat nog geen 24 uur zijn verstreken voor het doen van een officiële aangifte.’
Waarom de politie de eerste 24 uur niet in actie wilde komen, is Dick een raadsel. “Ik ken die tijdslimiet van 24 uur helemaal niet,” benadrukt hij. “Ik heb er nooit mee gewerkt en vind het onzinnig. Als iemand wordt vermoord en zijn lichaam wordt direct gevonden, wacht de politie echt geen etmaal om met het onderzoek te beginnen. Waarom wel in deze zaak? Had de politie een misdrijf toen al uitgesloten?”
De politie plaatste alleen een aandachtvestiging voor de eigen surveillanceauto’s en meldde de verdwijning via lokale media zoals Radio Rijnmond.
Signalement
In geen van de politiemutaties blijkt het signalement van Adri Knops te zijn omschreven. En nergens is iets terug te vinden over de omstandigheden waaronder de trucker vermist raakte.
Adri’s alarmerende verdwijning werd niet serieus genomen, laat staan onderzocht door de politie.
Dick: “Dat terwijl Adri niet zomaar is weggegaan. Hij is nooit teruggekeerd van een proefrit met de auto, en dat is iets wezenlijks anders. De man droeg een overall en had geen geld, papieren en medicijnen op zak had, dat is belangrijk maar staat niet in de stukken en is niet meegewogen. Terwijl ieder weldenkend mens inziet dat zulke feiten zo’n plotselinge vermissing juist extra verdacht maken.”
Omdat het volgens de politie dinsdagochtend nog te vroeg was om al een officiële aangifte op te nemen, moest de familie Knops later die dag opnieuw naar het bureau, wordt bevestigd in de rapportage.
Aanklopten
De stukken maken duidelijk dat Adri’s kinderen om 16.08 uur voor de tweede keer die dag aanklopten. Er werd toen wel een aangifte in de vorm van een summier proces-verbaal op papier gezet.
In dat document staat evenmin iets over de situatie rond de vermissing en ontbreekt opnieuw Adri’s signalement. Het stuk is bovendien pas zes dagen later, op maandag 9 juli 2001 opgemaakt.
Bij het opnemen van de aangifte van de vermissing op dinsdag 3 juli, was de politie er kennelijk niet van op de hoogte dat Miens Suzuki eerder die dag al op de parkeerplaats langs de Kruisnetlaan in Hoogvliet was ontdekt door een inwoner van de wijk Zalmplaat. De getuige had op Radio Rijnmond over de zaak gehoord en om drie uur in de middag de politiepost in Hoogvliet gealarmeerd.
Niets
Deze Hoogvlietse politiemensen wisten echter van niets omdat hun collega’s in Spijkenisse op dat moment nog steeds de omstreden 24 uurstermijn in acht namen en de vermissing nog niet in de systemen hadden geregistreerd.
Het resultaat was dat een Hoogvlietse politieman die poolshoogte ging nemen en constateerde dat de Suzuki op slot stond, vervolgens maar weer de aftocht blies. Hij had niets over de wagen in het systeem kunnen vinden.
Zelfs Radio Rijnmond bleek beter over de kwestie te zijn geïnformeerd dan de politie…
Gemeld
Van de meeste getuigen die zich bij de familie Knops hadden gemeld en over wie Wim de politie steeds had geïnformeerd, staan de verklaringen bovendien niet in het politiedossier.
Als de politie deze mensen wél had gehoord en hun getuigenissen had opgeschreven, was opgevallen dat Wims voetbalvriend de Suzuki op verschillende momenten op verschillende parkeerplekken langs de Kruisnetlaan signaleerde.
Bovendien had de politie dan geweten dat een bewoonster in de Hoogvlietse woonbuurt Zalmplaat daar eveneens een bijzondere waarneming deed. Zij kreeg op dinsdag 3 juli op de Kruisnetlaan nog iets meer in het vizier dan alleen de kleine witte auto.
Er stonden op dat moment twee licht getinte mannen bij de Suzuki.
Werkgebied
De dag erna, woensdag 4 juli 2001 had de Spijkenisser politie eindelijk door waar de auto moest zijn. Agenten troffen de wagen blijkens hun rapporten aan ‘op de Kruisnetlaan ter hoogte van de sportvelden van de RET.’ Wie de auto vond, is onduidelijk. Evenmin is genoteerd dat de Kruisnetlaan in Hoogvliet ligt, buiten het werkgebied van de politie Spijkenisse.
Agenten forceerden vervolgens de achterruit van het afgesloten wagentje en lieten er een politiehond ruiken om een mogelijk spoor te kunnen volgen.
Oud-rechercheur Dick Gosewehr.
“De hondengeleider die Dineke vertelde dat hij wist wat er met haar vader was gebeurd, bedoelde daarmee dat Adri ergens in de buurt van zijn auto zelfmoord moest hebben gepleegd,” vervolgt Dick. “Waarom Adri dan eerst netjes zijn auto zou hebben afgesloten en de sleutels zou hebben meegenomen, zei hij er niet bij.”
Resultaat
De politieman hoopte dat de hond vervolgens de plaats zou aanwijzen waar Adri’s lichaam lag. Dat gebeurde niet, het onderzoek in de omgeving bleef zonder enig resultaat.
Zonder dat er sporenonderzoek was verricht, werd de Suzuki Alto van Mien Knops daarna overgebracht naar het politiebureau Boezembocht in Rotterdam. Toen Dineke en Wim er vragen over stelden, kregen ze als antwoord: “het heeft geen zin om naar vingerafdrukken te zoeken want die zijn vanwege de hitte gesmolten.”
Die opmerking komt ook Dick dubieus over. Hij doet navraag bij een ervaren technisch rechercheur die ons precies kan vertellen hoe het zit.
De politieman doet er duidelijke en ferme uitspraken over. Het is onmogelijk dat een vingerspoor, in politietermen een dactyspoor, verdampt, laat hij weten. In tegendeel. Zo’n spoor brandt door de hitte brandt juist in en wordt goed zichtbaar.
Extra
“De poeder die voor het onderzoek wordt gebruikt hecht onder deze omstandigheden zelfs extra goed,” verduidelijkt de technisch rechercheur op ons verzoek. “Alleen het afnemen van het spoor met folie, zoals gebruikelijk is, kan in zo’n situatie lastig zijn. Door het dactyspoor te fotograferen kan het wel degelijk goed worden vastgelegd en worden gebruikt voor identificatie.”
In de stukken over Adri staat letterlijk ‘dacty heeft geen zin omdat door het warme weer de dactysporen verdampen.’ Het rapport vermeldt een andere reden dan de familieleden werd verteld. De politie schrijft het sporenonderzoek achterwege te hebben gelaten ‘gezien het feit dat er nog steeds geen aanwijzing is dat het om een misdrijf gaat.’
“Tja. Om aanwijzingen voor een misdrijf te vinden, dien je daar wel eerst onderzoek naar te doen”, zegt Dick.
Gepruts
Het bleef niet bij dit gepruts.
Op donderdag 5 juli 2001 werd tijdens een briefing van de politie Hoogvliet gesproken over Adri’s vermissing en Miens verdwenen auto. Klaarblijkelijk was er bij die politiepost nog niet bekend dat het autootje de dag ervoor was aangetroffen en afgevoerd door de Spijkenisser politie.
De Hoogvlietse politieman die al op 3 juli ’s ter plekke was geweest, ging die donderdag dus weer terug naar de Kruisnetlaan. Ditmaal stuitte hij er niet op de auto, maar wel op Adri’s familieleden die hem vertelden wat er met de wagen was gebeurd.
Als de zaak niet zo ernstig was, zou het een aflevering van ‘Comedy Capers’ geweest kunnen zijn.
Armoe
De kinderen van Adri hadden meteen in de gaten dat de politie zich niet interesseerde voor de verdwijning van hun vader. Uit pure armoe besloten ze zelf onderzoek te doen en in een flyer getuigen op te roepen. Met succes, want er hadden zich verschillende mensen bij hen gemeld.
Met Dick kijk ik nog eens beter naar het relaas van Henk, de jeugdvriend van Adri. Henk had Miens witte Suzuki dinsdag 3 juli op de Noorddijk, tussen Geervliet en Spijkenisse waargenomen. Het autootje kwam hem vanuit Geervliet tegemoet rijden.
Er is een reden waarom Henk de wagen al van een afstand herkende. Aan de antenne van de auto zat een plastic, oranjekleurig voetballetje, precies zoals bij Miens Suzuki.
Gewaarschuwd
Henk had Adri nog gewaarschuwd om het ding eraf te halen, omdat de antenne kapot kon gaan. Adri had zijn advies in de wind geslagen. Henk wist dat hij het als voetballiefhebber en Oranjesupporter simpelweg niet over zijn hart verkrijgen om het balletje te verwijderen, al was het Europees Kampioenschap voetbal al een jaar eerder gespeeld.
Er waren bovendien andere kenmerken, de typerende neksteuntjes op de stoelen bijvoorbeeld, die Henk ervan hadden overtuigd dat het de auto van het echtpaar Knops was. Toen hij al die zaken had waargenomen, stak Henk zoals altijd zijn hand op om Adri te groeten. Maar op het moment dat de auto hem passeerde, viel het de Heenvlieter op dat er iemand anders in reed.
Henk kende de man niet, maar hij was duidelijk een stuk groter dan Adri. Hij kwam volgens Henk zelfs bijna met zijn hoofd tegen het dak van de kleine auto. De onbekende probeerde nog een beetje weg te duiken toen Henk zwaaide. Alsof de bestuurder niet door Henk wilde worden gezien.
Vollemaansgezicht
Henk wist een signalement van de onbekende man op te geven. Het ging om een licht getinte, negroïde man met een groot, rond hoofd. Een vollemaansgezicht, had hij het genoemd. Geen bril, of gezichtsbeharing en tegen de veertig jaar oud. Alsof er een foto van die kerel in zijn hoofd was opgeslagen.
Wim en Dineke brieften de details vanzelfsprekend door aan de politie. “Je zou verwachten dat daar onmiddellijk aandacht aan zou worden geschonken,” zegt oud-rechercheur Dick Gosewehr. “Wie was die grote onbekende en waar was Adri zelf gebleven? Een betere aanwijzing dat er sprake moest zijn van een misdrijf kun je als rechercheur bijna niet krijgen.”
Bij de politie in Spijkenisse gingen echter geen alarmbellen af. In plaats van direct contact op te nemen met Henk en hem voor verhoor aan het bureau uit te nodigen, wachtten de betrokken politiemensen een paar dagen af voordat ze in beweging kwamen.
Bevragen
Het had voor de hand gelegen dat die twee rechercheurs Henk tijdens het verhoor uitgebreid zouden bevragen over de vreemde bestuurder. Nee dus. De vrouwen vuurden voornamelijk vragen over de achtergronden van Adri af. Alsof ze zich al een beeld over hem hadden gevormd.
Henk had na het verhoor geen idee wat de rechercheurs hadden opgeschreven. De agenten hadden hem zijn verklaring niet meer laten inkijken en ondertekenen.
Duidelijk
Uit het politiedossier wordt ons duidelijk waarom niet. De getuigenis is niet in een proces-verbaal van verhoor, maar in een proces-verbaal van bevindingen vastgelegd.
Dick: “Dat gaat tegen alle richtlijnen in. Het is bij politieonderzoeken gebruikelijk en vereist dat verklaringen van getuigen worden opgenomen in een proces-verbaal van verhoor. Als een getuige zijn verhaal heeft verteld, moet hij daarna alle gelegenheid krijgen om zijn verklaring na te kunnen kijken en er zijn krabbel onder te zetten als hij akkoord is. Het lijkt erop dat hier een trucje is gebruikt om dat te omzeilen.”
De verantwoordelijke leidinggevende had er geen genoegen mee moeten nemen, vindt Dick. “Hij had beide rechercheurs bij zich moeten roepen en de politievrouwen opdracht moeten geven om Henk op de juiste wijze te gaan verhoren. Dat dit niet is gebeurd zegt veel over de manier waarop er door de politie in deze zaak is gewerkt.”
Er is meer dat niet deugt aan de aanpak door de twee rechercheurs. In hun proces-verbaal hebben zij een heel ander verhaal opgeschreven dan Henk had verteld.
Geschokt
Als ik hem in die tijd alsnog het politiestuk laat lezen, is Henk geschokt en verontwaardigd. Het rapport klopt van geen kanten. Zo staat in het stuk dat Henk niet met zekerheid kon zeggen Miens auto te hebben gezien, omdat hij niet op het oranje balletje had gelet.
“Niet te geloven dit. Ik vertelde de agenten juist het tegenovergestelde,” zegt Henk terwijl hij me met grote ogen aankijkt. Ook het signalement van de onbekende ontbreekt. “Ik heb nota bene zo exact mogelijk het gezicht en postuur van die kerel omschreven”, gaat Henk verder. “Dat zelfs het signalement uit het proces-verbaal is gehouden, vind ik heel kwalijk. Het kan tenslotte om Adri’s moordenaar gaan.”
Er valt Henk nog iets anders op. De politieagenten noteerden in hun rapport dat Henk de wagen tussen Geervliet en Heenvliet tegenkwam. In werkelijkheid gebeurde dat echter tussen Geervliet en Spijkenisse.
Het is een detail, maar kan een belangrijk verschil vormen als het om moord gaat.
Opvallen
Er zijn nog een paar andere zaken die ons opvallen. In de Molenlaan, het woonadres van Adri en Mien, en een paar omliggende straten had de Spijkenisser politie destijds een buurtonderzoekje gehouden. Maar bij de vindplaats van de Suzuki, de Kruisnetlaan in Hoogvliet, kwam dat onderzoek er niet.
“Onbegrijpelijk,” reageert Dick. “We weten immers van Adri’s kinderen dat een bewoonster van de Zalmplaat bij de Suzuki twee getinte mannen zag staan. Haar getuigenis kan in het licht van Henks waarnemingen erg belangrijk zijn.”
En dan was er nog de getuigenverklaring over de verschillende parkeervakken waarin de Suzuki was gestald. “Alweer een aanwijzing en eveneens belangrijk vanwege de verklaring van Henk. Want al die informatie wijst erop dat de auto in de tussenliggende tijd door iemand is gebruikt.”
Ondanks alles bleef de politie vasthouden aan een vrijwillig vertrek of een zelfdoding. Het actieve politieonderzoek was al snel gestaakt.
Top
Ik hou Dick een eerdere reactie voor die de top van het Openbaar Ministerie in 2006 had gegeven in mijn toenmalige reportageverhaal over de zaak-Knops en enkele andere verwaarloosde vermissingszaken.
Een woordvoerder van het College van Procureurs-generaal zei toen zich “niet in het geschetste beeld van de politie te herkennen.” Natuurlijk, had hij beaamd, er kon weleens wat fout gaan. Maar dat was volgens de voorlichter niet aan de orde van de dag. Er werken over het algemeen zeer gedreven mensen bij de politie, luidde het commentaar van het OM.
Ook daar denkt Dick het zijne over. “Ik weet uit eigen ervaring dat er bij de politie inderdaad veel gedreven en capabele mensen werken, maar ik weet ook dat er mensen op de loonlijst staan die te lui zijn om de dag aan te kijken en die weinig of geen kennis van zaken hebben,” zegt de oud-rechercheur. “Dat mag dan een minderheid zijn, als je als burger met zulke politiemensen te maken krijgt, heb je pech. Klagen helpt niet, iedereen binnen de politiecultuur dekt elkaar. Wie binnen die organisatie zijn mond open doet, vliegt eruit.”
Niet verwonderlijk
Dat het dossier-Adri Knops in 2007 was overgedragen aan het coldcaseteam Rotterdam, maar er weinig of geen aandacht kreeg, vindt de oud-rechercheur niet verwonderlijk.
“Veel mensen gaan er vanuit dat coldcaseteams per definitie zijn samengesteld uit zeer ervaren, bekwame rechercheurs en verkeren in de veronderstelling dat het positief is als een dossier daar belandt. Vaak wordt aangenomen dat zulke teams dan nog eens kritisch gaan kijken en zo nodig alsnog nieuw onderzoek gaan doen. Maar meestal houdt zo’n dossieroverdracht alleen in dat een onopgeloste zaak van de ene naar de andere plank verhuist.”
Wat gebeurde er wel?
De oudere, maar ijzersterke en goed getrainde Adri Knops die ergens langs de kant van de weg aan de wagen van zijn vrouw staat te sleutelen en wordt overvallen en overmeesterd door een paar licht getinte mannen. Het is, constateren we uiteindelijk, het aannemelijkste scenario in deze cold case.
Adri’s belagers, die mogelijk een band met de Zalmplaat of de jeugdgevangenis Hartelborgt hadden, moeten in een hevig gevecht met de voormalige vrachtwagenchauffeur en boksliefhebber zijn geraakt en hem hebben omgebracht. Adri’s lichaam is daarna ergens verborgen. Het heeft er alle schijn van dat in ieder geval een van de daders nog in de Suzuki heeft rondgereden.
De politie had meteen op een vermoedelijke moord moeten inzetten. Met gedegen getuigenverhoren, buurtonderzoeken op alle relevante locaties en een sporenonderzoek in de auto. Aanwijzingen voor een misdrijf vind je vaak pas, als je er onderzoek naar doet. Niet door met je handen in je zakken op een gouden tip te gaan zitten wachten.
Dat vlakbij de vindplaats van de Suzuki, in de wijk Zalmplaat in die jaren nogal wat criminelen woonden, was de politie bekend. Die wetenschap had een extra aansporing moeten zijn om de auto veilig te stellen, op een normale manier met een reservesleutel te open en om de wagen uitgebreid te bemonsteren op DNA-, vinger- en haarsporen en vezels.
Tip
De tip over de verschillende parkeervakken had de politie eveneens moeten uitbuiten. Er had een stevig buurtonderzoek onder omwonenden in de Zalmplaat en een passantenonderzoek bij de Kruisnetlaan onder voetgangers, fietsers en automobilisten moeten komen. Het is immers denkbaar dat meer mensen personen bij de Suzuki van Mien hebben gezien.
“Dat was in ieder geval nuttiger dan een buurtonderzoek in Adri’s woonomgeving,” aldus Dick. “Of zou de politie echt hebben gedacht dat er thuis iets met hem was gebeurd?”
De verschillende getuigenverklaringen over getinte mannen had de politie op zijn waarde moeten schatten. De rechercheurs hadden direct Adri’s jeugdvriend Henk moeten benaderen en hem foto’s moeten tonen van personen die daarvoor in aanmerking kwamen. Dagenlang wachten en dan zijn verhaal verkeerd en onvolledig op papier zetten, helpt niet bij het oplossen van deze zaak.
Politiesite
De vele aanwijzingen voor een misdrijf worden nu nog door politie en justitie in de wind geslagen. Adri staat nog steeds op de politiesite voor vermiste personen. Alsof iemand in zijn omgeving denkt dat deze man nog in leven is.
De melding op de site van de politie.
In 2012 doet advocaat Job Knoester verwoede pogingen voor de nabestaanden om een nieuw onderzoek van de grond te krijgen. Zo komt er een aangifte vanwege het valselijk opmaken van een proces-verbaal door de politie Spijkenisse na het verhoor van Henk.
Verder lanceert de raadsman een klacht bij de politie Rotterdam-Rijnmond en vraagt hij de top van het Openbaar Ministerie en het Rotterdamse parket om een nieuw onderzoek.
Kwaliteit
De toenmalige Rotterdamse hoofdofficier van justitie Fred Westerbeke – tegenwoordig korpschef – beaamt op 13 mei het jaar erna, dat ‘het initiële in 2001 door de politie uitgevoerde (technische) onderzoek naar de verdwijning van de heer A. Knops niet de vereiste kwaliteit heeft gehad.’
Westerbeke voegt eraan toe dat de familie daarvoor excuses aangeboden kreeg. Verder schrijft hij dat ‘wel moet worden bedacht dat de opsporing anno 2001 niet gelijk is aan de opsporing anno 2013 en dat er ‘geen concrete aanknopingspunten’ zijn voor nieuw onderzoek.
“Als ik erop terugkijk, blijft dit een van de meest bizarre politieonderzoeken die ik in mijn carrière voorbij zag komen,” zegt Job wanneer ik hem jaren later benader. “Onbestaanbaar dat de politie geen deugdelijk onderzoek deed en waarschijnlijk zelfs sporen in de Suzuki vernietigde. Het was je reinste onzin van justitie om aan te voeren dat dit in 2001 niet bekend was. In die tijd kenden de recherche en het OM allang van de waarde van DNA en andere biologische sporen.”
Beschadigd
“Door dit optreden heeft de overheid in mijn ogen tevens andere levens onherstelbaar beschadigd. Voor de nabestaanden van Adri is het immers al zo’n klap geweest dat hij is verdwenen. Maar op deze wijze komen zij er nooit overheen.”
Adri’s jeugdvriend Henk is inmiddels achterin de zeventig en woont nog in Heenvliet. Zo af en toe denkt hij terug aan zijn vermiste maat en aan wat hij heeft gezien. “Adri was een gouden vent. Een man een man, een woord een woord. Recht door zee, en soms misschien niet al te makkelijk. Maar je wist altijd wat je aan hem had.”
Het coldcaseteam in Rotterdam heeft hem niet benaderd, zegt Henk. “Dat heb ik nooit begrepen. Ik vraag me serieus af wat hun onderzoek heeft voorgesteld.”
Wel kreeg Henk later nog eens bezoek van twee politieagenten van bureau interne zaken. “Ze wilden weten of het klopt dat ik het proces-verbaal in 2001 niet had kunnen teruglezen en ondertekenen. De agenten hadden geen belangstelling voor de vermissing zelf. Wel werd ik er weer even fijntjes op gewezen dat Adri ooit was aangehouden bij het stropen van een haasje. Alsof je dan straffeloos mag worden vermoord.”
Aanknopingspunten
Dineke, Kees en haar moeder hebben al jaren niets meer van de politie vernomen. “We voelen ons, na alles wat de recherche en het OM nalieten, in de steek gelaten, niet geholpen maar vooral niet begrepen,” besluit Dineke. “Was mijn vader gevonden als er wel goed onderzoek was verricht? Er waren dan in ieder geval meer aanknopingspunten en getuigen geweest die de zaak verder hadden kunnen brengen.”
Adri’s dochter Dineke Knops.
Met feestdagen en op momenten dat er problemen zijn, is het gemis het grootst. En elk jaar is er weer die nare dag van 2 juli. Dineke: “Meestal ben ik dan bij mijn moeder. En als we niet bij elkaar zijn, dan bellen we een stuk of tien keer. Om twee uur, toen pa thee dronk. Om half drie, toen hij wegreed. Ga zo maar door. Het is moeilijk om hem te missen, maar ik doe het nog elke dag. We stonden dicht bij elkaar, mijn vader en ik. Onze band was hecht. Als de familieman die hij was, gaf hij me vaak adviezen en steun in moeilijke situaties.’
Onrechtvaardig
Het is onrechtvaardig dat haar vader alle mooie momenten in haar familie niet heeft mogen meemaken door toedoen van anderen, vindt Dineke. “Ik kan het niet afsluiten want de daders lopen nog vrij rond. Zij hebben het ons zelfs onmogelijk gemaakt om mijn vader een waardige, laatste rustplaats te geven.”
Ook al is de zaak vandaag twintig jaar oud, we zijn ervan overtuigd dat sommigen in Spijkenisse en Hoogvliet meer kunnen vertellen over deze trieste cold case. De hoogste tijd dat zij dat eindelijk gaan doen.
*Tips over de zaak-Adri Knops? Mail je informatie dan graag naar contact@femkefataal.nl
Misschien ken je het nummer wel waarin Delivio Reavon, LA$$A en Mr. Ontspannen rappen over de vraag ‘Wie betaalt de schade?’ Het antwoord luidt ‘Hans betaalt’, een uitspraak die inmiddels vaak voorbijkomt op de sociale media.
‘Hans’ staat voor een knappe, succesvolle man die de rekening betaalt voor de ‘Grietjes’. Zoals voorheen de ‘sugardaddy’s’ en nog langer geleden de ‘suikeroompjes’ al deden. Of is er toch een verschil met de hedendaagse Hansjes?
Luxe
De wereld van Hansen en Grietjes draait voornamelijk om een luxe levensstijl, dat is niets nieuws onder de zon. Net als bij sugardaddy’s en suikerooms het geval was, gaat het om smijten met geld in ruil voor aandacht, gezelschap of seks. Die vorm van sugardating heeft ook een keerzijde en wordt tegenwoordig in de sociale media wel heel ver uitvergroot. Alsof het normaal is dat jonge mensen zich een luxe leven kunnen veroorloven.
In de wereld van Hansen en Grietjes draait het om rijkdom en luxe. Afbeelding van Anastasia Gepp via Pixabay
De zomer is inmiddels begonnen, zonder coronamaatregelen. Ook de Hansen en Grietjes kunnen dus weer flaneren. In hun geval houdt dat in: vertoeven op dikke jachten in een zonovergoten oord als Ibiza, overnachten in luxe hotels en het poppen van eindeloos veel flessen champagne aan een peperdure VIP-tafel van een club.
Cadeaus
Soms gaan de cadeaus nog een tikkeltje verder. Denk aan een cosmetische ingreep als een nieuwe neus, een paar opgepompte borsten of zelfs een afgeslankt figuur. Voor sommigen klinkt dat wellicht als muziek in de oren, voor anderen is het een no go.
Vraag blijft natuurlijk: wie betaalt de schade nu écht? Hans? Of Grietje? En wat is het verschil met vroeger?
De sugardaddy’s waren vrijwel altijd oudere, zeer vermogende mannen met een jonge dame aan hun zij. Maar tegenwoordig lijkt het alsof veel Hansjes een stuk jonger te zijn. Succesvolle jongemannen die vinden dat hun bekijks alleen maar groter wordt wanneer zij een prachtige, jonge meid in hun boot kunnen meenemen.
Illegale
Lang niet alle Hansen verdienen hun fortuin op een eerlijke manier, denken wij. En als het klopt dat sommigen zich bezighouden met illegale praktijken, dan is het niet Hans, maar de hele maatschappij die de schade betaalt.
In ruil voor al die rijkdom wordt wel wat van de Grietjes verwacht… Foto door Yurii Hlei via Pexels
Dat zwaaien met geld geeft in onze ogen een verkeerd beeld op sociale media. Je zou kunnen denken dat alleen geld belangrijk is. Voor de een is het misschien de ideale wereld. Maar de ander vindt daar geen geluk
Jongeren
Bij het schrijven van deze column hebben we contact gehad met criminoloog Jeroen van den Broek. Hij is verbonden aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam en doet promotieonderzoek naar jongeren, straatcultuur en sociale media.
“Sociale media hebben in de brede zin veel invloed”, zegt de criminoloog. “Met muziek en sociale media, en dan voornamelijk in de hiphopscene, worden stereotypes wel uitvergroot. Ik weet niet of dat voor Hansen en Grietjes ook zo is. Het is mij nog niet opgevallen dat die relatie verheerlijkt wordt.”
Jeroen denkt wel dat het fenomeen rond de Hansen en Grietjes gehypet wordt: “Wanneer je kijkt naar relaties van heel rijke mensen dan komt het vaak op hetzelfde neer. Je ziet dan bizar mooie vrouwen omgaan met best lelijke mannen die veel geld hebben. Misschien heeft het ook wel te maken met de veranderingen in het perfecte plaatje van hoe een relatie eruit moet zien.”
Gehypet
Kortom, een gehypet maar toch ook relatief onderbelicht fenomeen. “Het is verstandig om voorzichtig conclusies te trekken over dit onderwerp”, vindt de wetenschapper. “We weten er nog te weinig over om echte aannames te kunnen doen”.
Jeroen zegt geen onderzoek te kennen naar Hansen en Grietjes en alleen af te weten van anekdotisch materiaal. “Het is nog steeds een soort mythe.”
Het is daarom interessant om te onderzoeken wat dit fenomeen inhoudt en wat nu eigenlijk de beweegredenen zijn van Hansen en Grietjes. In het algemeen kunnen de sociale media volgens Jeroen van den Broek ervoor zorgen dat sommige mensen met alle geweld doelen willen bereiken die in het leven van de meesten helemaal niet haalbaar zijn.
Straintheorie
De criminoloog verwijst daarbij naar de straintheorie van Merton, waarbij sprake is van een spanning tussen bestaande doelen in de samenleving en de mogelijkheden die mensen hebben om zulke doelen te bereiken. Daardoor kunnen sommigen op zoek gaan naar sterk afwijkende manieren om toch het beoogde ideaal te behalen.
Hansen en Grietjes vinden elkaar vooral op datingsites. Photo by Hassan Nizam on Unsplash
“We leven in een consumptiemaatschappij”, gaat Jeroen verder. “Je moet dit, je moet dat. Je móet een mooie auto hebben. Of een mooi huis. Maar lang niet iedereen heeft de mogelijkheden om zulke bezittingen te verwerven. Wat je ziet is dat mensen daar op verschillende manieren mee omgaan. Om toch dat gedroomde doel te bereiken kunnen mensen soms tot criminaliteit overgaan.”
Zoektocht
In onze zoektocht naar de Hansen en de Grietjes spraken we de afgelopen weken ook met Fleur*.
Fleur is een jonge vrouw die rond haar twintigste te maken kreeg met een man die haar levensstijl drastisch zou veranderen. Op een datingsite voor succesvolle mannen sloeg ze verschillende keren een Hans aan de haak. De man met wie ze de meeste tijd optrok, was een succesvolle zakenman uit Canada. Hij was twee keer zo oud als zij, gescheiden en had kinderen. Ook had hij aardig wat centjes te besteden. Aangezien hij veel reisde voor zijn werk, wilde hij iemand naast zich tijdens zijn verblijf in Nederland. Fleur gaf hem dat gezelschap.
Intenties
Volgens Fleur hebben Grietjes verschillende intenties. “Je kunt puur voor het geld gaan of je gaat voor het opbouwen van een soort van een band met iemand waarbij het een leuke bijkomstigheid is dat hij geld heeft. Ik heb ook met mannen afgesproken bij wie ik langsging en meteen al dacht: oh bah, het is ‘m niet. Dan probeer je er toch wat leuks van te maken en pas je je helemaal aan aan je date. Praten over onderwerpen die je helemaal niet boeien en dan doen alsof je het leuk vindt, om maar een voorbeeld te noemen.”
Zowel Hansen als Grietjes kunnen verschillende intenties hebben. Afbeelding van Free-Photos via Pixabay
Wanneer wij vragen wat voor Fleur de drijfveren waren, vertelt ze: “Ik was toch wel nieuwsgierig naar zo’n luxe leven. Ik had erover gehoord van vriendinnen. Uiteindelijk kwam ik tijdens het uitgaan met zulke mannen in aanraking en dat beviel me. Ik nam me voor het gewoon te proberen en dan te kijken hoe het liep. Misschien had mijn keus te maken met bepaalde tekortkomingen in mijn eigen leven. En dan voornamelijk op het gebied van mannen.”
Kringen
“Je komt op plekken waar je normaal niet zo snel zou komen op mijn leeftijd”, gaat ze verder. “Je ontmoet bovendien mensen die je in je eigen cirkel niet hebt en komt in kringen waar je anders niet makkelijk verzeild raakt. Ik had het idee dat dat me verder kon brengen in het leven. Stel dat je ambities hebt in de modewereld en je zo iemand kunt ontmoeten die daar contacten heeft… Dan kan dat je leven zoveel makkelijker maken, wanneer je een bedrijfje op wilt zetten en iemand in jou investeert. Van een leeftijdsgenoot of iemand uit eigen kring, hoefde ik zoiets niet te verwachten, meende ik.”
Cash geld
Van de Canadees kreeg Fleur heel wat cadeaus. Een iPhone, sieraden, weekendjes weg, een tas, en veel cash geld. Maar wat moest ze daar voor terug doen?
De beloning van een sugardaddy: cash geld om mee te shoppen. Photo by Markus Spiske on Unsplash
Fleur: “Tja, moest? Op dat moment voelde het gewoon alsof ik in een relatie zat, dus de dingen die ik deed zou ik ook gewoon gedaan kunnen hebben als het om iemand uit de buurt ging. Ik ervaarde het niet als ‘moeten’. Maar ik kan me voorstellen dat sommigen minder sterk in hun schoenen staan en misschien dingen doen die zij niet willen. Het wordt ook wel van je verwacht, in zo’n relatie. Al heb ik ook mannen meegemaakt die alleen een platonische relatie wilden. Ze hadden thuis een vrouw en wilden in het buitenland niet eenzaam zijn. Ik ging dan alleen mee naar evenementen. Of een hapje eten. Ook Hansjes hebben dus verschillende intenties.”
Besef
Terugkijkend zegt Fleur blij te zijn al die ervaringen te hebben meegemaakt. Ze heeft veel mensenkennis opgedaan en het besef gekregen dat geld niet alles is. “Wat eerst een sprookje leek – het hebben van zo’n luxe leven – werd al snel gewoon toen ik er middenin zat. De dure cadeaus waren leuk. Maar ik denk er allang niet meer aan. Dat zegt genoeg.”
Anderzijds knaagt er nog steeds iets aan haar vanwege de keuzes destijds.
“Wat heeft me toen zo ver gekregen? Die vraag vind ik confronterend. Op dat moment was ik twintig. In de bloei van mijn leven terwijl ik mezelf heb beperkt in het vinden van iets moois. Ik had bepaalde verwachtingen van mannen die misschien niet reëel waren. Veel vond ik niet goed genoeg. Ook mentaal was ik niet available omdat ik met andere dingen bezig was.”
Verloren
Verder geeft Fleur aan dat ze soms wel nadacht over de manier waarop ze zichzelf als Grietje bloot gaf aan iemand, terwijl ze dat normaal niet zou doen. “Ik zat zo in de sleur van anderen tevreden houden en blij maken, dat ik dat ook deed bij mannen die ik eigenlijk niet echt leuk vond. Daar heb ik mezelf wel in verloren.”
Wie betaalde de schade? Uiteindelijk was dat ook Fleur. En zeker niet alleen Hans.
*De naam ‘Fleur’ is omwille van privacyredenen gefingeerd.
**Meer lezen van Nikki, Eva en Iris? Blader dan terug naar hun vorige column over partnergeweld.
Je allernieuwste beste vriend of vriendin; een undercover-agent op de luchtplaats van de gevangenis in Almere!
Afgelopen week ging de Hoge Raad er eindelijk eens goed voor zitten en gaf weer een juridische interpretatie over de inzet van undercover-agenten[1]. Niet onbelangrijk want in de vaak aangehaalde strijd tegen de georganiseerde misdaad en ondermijning lijken alle mogelijke – en veelal discutabele – opsporingsmiddelen te worden ingezet.
Zeer actueel is de discussie die zich deze week ontspon tussen de raadslieden en het Openbaar Ministerie in de afpersingszaak tegen de eigenaren, hun familieleden en medewerkers van een Brabants fruitbedrijf.
Dekmantel
In dit opsporingsonderzoek is gebruikt gemaakt van het ‘werken onder dekmantel’ waarbij de verdachten een totaal andere lezing gaven van wat er is besproken dan de betrokken agenten. Veelal gaat het dan om het zogeheten uitlokken en de vraag of er sprake is van strijd met het Tallon-criterium? Dat wil zeggen: heeft de verdachte wel in alle vrijheid en zonder beïnvloeding van buitenaf zijn verklaring afgelegd of is hij of zij ‘gevoed’ met informatie, dan wel grootspraak of beloften?
Die kwestie speelde ook bij de Mr. Big-methode (zie mijn eerdere column van 23 december 2019). Agenten duiken heel diep in de inner circle van verdachten, worden vrienden met hen, bieden een baan aan en beweren en doen allerlei dingen om zodoende een misdrijf op te lossen. In die eerder door mij omschreven casus was dat een moord. De Hoge Raad vond daar wel wat van en zo ook in de zaak waar deze week een arrest werd gewezen.
Brandstichting
Waar ging het om? Een jonge vrouw, 26 jaar, wordt verdacht van brandstichting op 14 januari 2017 in Amersfoort waarbij haar zusje om het leven is gekomen. Tijdens verhoren door de politie beroept de vrouw zich op haar zwijgrecht. Maar, en dat is belangrijk, zij wordt aangemerkt als ‘kwetsbare’ verdachte in de zin van artikel 28b Wetboek van Strafvordering. Belangrijk, omdat we er dan vanuit mogen gaan dat er steeds een advocaat bij de verhoren is geweest, want zulke kwetsbare verdachten krijgen extra rechtsbescherming.
In deze zaak werden alle verhoren opgenomen en volgde een rechtspsycholoog de gang van zaken. Een assertieve advocaat bij het verhoor en geen bekentenis kan de opsporing en uiteindelijke veroordeling ernstig belemmeren. Daarom werd in deze zaak gekozen voor de inzet van een stelselmatige informatie-inwinster, een undercover-agent.
Luchtplaats
Direct nadat de jonge vrouw (ontkennende) verhoren bij de politie had afgelegd, knoopte de undercover-agente een gesprek aan met de verdachte op de luchtplaats van het cellencomplex in Almere. Zij deed zich voor als medegedetineerde en volgens de verklaring van de undercover-agente bekende de verdachte heel vlot de brandstichting. Het gesprek tussen haar en de verdachte zou tussen 19.55 en 20.25 uur zijn geweest.
Volgens de verdediging was de verdachte op dat moment, na urenlang verhoord te zijn, al geestelijk en lichamelijk volledig uitgeput. Het Openbaar Ministerie omzeilde door de inzet van de undercover-dame het zwijgrecht van de verdachte en alle extra rechtswaarborgen die haar als kwetsbare verdachte (met beperkte geestelijke vermogens) toekwamen.
*tekst gaat door onder foto*
De undercover-agent duikt steeds vaker op in Nederlandse opsporingsonderzoeken. Photo by Devin Kaselnak on Unsplash
Kort en goed, er zou inbreuk zijn gemaakt op het zogeheten ‘nemo teneturbeginsel’, oftewel: het recht om jezelf niet te belasten. Door de dwingende vraagstelling zou je kunnen stellen dat deze bekentenis onder druk tot stand is gekomen, in strijd met het zogenaamde pressieverbod.
Ernst
Het gerechtshof vond dat, gezien de ernst van het feit, voldaan was aan de proportionaliteit en subsidiariteit (immers, het onderzoek kon niet op een andere wijze worden vlot getrokken) en dat deze verdachte in alle vrijheid haar verklaring had afgelegd.
Wel viel het het hof op dat gesprekken tussen de politieagente en de verdachte pas later op papier waren gezet en niet waren opgenomen. Dat zien we helaas steeds vaker waardoor er een eigen interpretatie op papier komt te staan van de informant, in plaats van een de facto-uitwerking. De controlerende taak van de verdediging en de rechters komt hiermee in het nauw of kan zelfs niet uitgevoerd worden.
Hoge Raad
De Hoge Raad betrok uitdrukkelijk de persoon van de verdachte bij haar beoordeling:
‘Daarbij heeft het hof onvoldoende blijk ervan gegeven de persoon van de verdachte te hebben betrokken bij in het bijzonder de beoordeling van de mate van druk die van de, door de niet als zodanig kenbare opsporingsambtenaar ondernomen activiteiten jegens de verdachte kan zijn uitgegaan en de mate waarin de handelingen en gedragingen van de opsporingsambtenaar tot de betreffende verklaringen van de verdachte hebben geleid. De overweging van het hof dat de verdachte, toen zij de camera’s op de luchtplaats in de gaten kreeg, ging ontkennen en bleef ontkennen en dat daarom “de verdachte – ondanks het feit dat het een kwetsbare verdachte betrof en zij in voorarrest zat – in staat was haar wil te bepalen, overeenkomstig die wil te verklaren en zich niet liet beïnvloeden door de SI”, doet daaraan niet af’ .
Het cassatiemiddel slaagde. De Hoge Raad heeft de zaak terugverwezen naar het hof om opnieuw te worden behandeld.
Afgelopen week werd me tijdens een bijeenkomst gevraagd hoe dat is, als psycholoog bij de politie werken. Moest ik erg wennen aan de politiecultuur als hoogopgeleide zijinstromer?
Ik moest even nadenken. Omdat ik uit een politiefamilie kom, kan ik de tijd vóór mijn dienstverband bij de politie en de tijd bij de politie niet zo goed meer van elkaar onderscheiden.
Ik ben opgegroeid tussen politiemensen. Familieleden, buren en vrienden van mijn ouders; iedereen zat bij de politie. De mannen én de vrouwen. Ik groeide op in een grote, blauwe ploeg. Zelfs de huisdieren zaten bij de politie en waren getraind als politiehond. Ik vond dat heel gewoon.
Boef
Mijn oudste herinnering voert terug naar die keer dat ik als kleuter achterin de politieauto meereed en mezelf uit angst om in de auto gezien te worden, helemaal onderuit had laten zakken op de autobank. Ik was bang dat mensen anders dachten dat ik de boef was, aangezien ik als enige in de auto niet in uniform was gekleed.
Foto ter illustratie. Afbeelding van M W via Pixabay
Ook onze spelletjes als kinderen stonden in het teken van politiewerk. Ieder kind speelt natuurlijk boefje, maar dat vonden mijn broer, mijn zus en ik een veel te vaag begrip. Wij speelden liever ‘aanhoudinkje’ of ‘meldkamertje.’ Bij meldkamertje deed ik een grote koptelefoon op mijn hoofd en bediende de knoppen van onze stereotoren terwijl ik tegelijk opdrachten naar mijn broer en zus schreeuwde. Mijn broer moest een pop reanimeren, mijn zus een denkbeeldige dief in de kraag vatten.
Roze koeken
Vanaf mijn twaalfde mocht ik af en toe mee naar het bureau, voor een avond- of nachtdienst. Ik dronk veel te veel warme chocolademelk en kreeg van iedereen roze koeken. Ik vond het geweldig. Ik probeerde zo stil en onopvallend mogelijk aanwezig te zijn en al slurpend van de chocolademelk te luisteren naar de verhalen die voorbijkwamen.
Politiemensen vertellen elkaar veel verhalen. Marlijn van Hulst heeft een prachtig onderzoek gedaan naar de betekenis van politieverhalen. Meestal gaan die over avontuur en situaties van leven en dood. Hoewel lang niet al het politiewerk zo enerverend is, zijn het vooral de verhalen over de spannendste dagen die telkens terugkeren.
De verhalen in mijn familie gingen over het scheuren in auto’s, over schietincidenten, tragische ongevallen, acute geboortes en merkwaardige gebeurtenissen met dronken, halfnaakte dames.
Geheime
Politiemensen zien veel van de zelfkant van de maatschappij en maken veel mee in de uitvoering van hun werk. Nu ik niet alleen meer toehoorder van die verhalen ben, maar zelf ook dergelijke verhalen heb te vertellen, valt me iets op aan de behoefte tot het vertellen. Het meeste dat ik zie of meemaak in het politiewerk, kan ik niet tegen buitenstaanders vertellen. Het betreft gevoelige of geheime informatie die niet gedeeld kan worden.
Veel ernstige misdrijven waarmee Cleo en Bianca worden geconfronteerd, zijn geheim en liggen gevoelig. Afbeelding van Ernie A. Stephens via Pixabay
Dat betekent dat ik weinig van wat ik meemaak kan delen met mijn familie of vrienden buiten de politie. Maar iedereen heeft die behoefte om te delen met anderen. Dus vertellen we elkaar binnen de politie op bijna rituele wijze in kantines en tijdens etentjes en opleidingen verhalen.
Gekuiste
Daarnaast heb ik ook enkele ‘afgekaderde’ en gekuiste verhalen om de buitenwereld iets te laten zien van wat mij zoal bezighoudt. Wanneer je namelijk niet meer kunt delen wat je meemaakt, wat je raakt en hoe je denkt, ligt vervreemding van anderen op de loer. We hebben het nodig om onze verhalen van leven en dood te vertellen, anders gaan we eraan onderdoor.
Hoe is dat eigenlijk voor jou, Cleo?
Lieve Bianca,
Ik heb gelijk beelden bij je verhaal, vooral het meldkamertje spelen met de koptelefoon op; hilarisch! Ik was als kind niet zo gefascineerd door politiemensen en boeven. Ik was een paardenmeisje, vanaf mijn vierde reed ik pony en later paard.
Manege
Toen ik nog heel klein was werd ik elke zaterdagochtend door mijn ouders bij de manege afgezet en in de namiddag weer opgehaald. Mijn moeder zette thuis al mijn cap op mijn hoofd omdat ik de sluiting zelf niet dicht kreeg, ik geloof dat ik soms hele dagen met dat ding op mijn hoofd rondliep.
In mijn latere tienerjaren kwam ik op sommige maneges in contact met mensen die crimineel bleken te zijn. Best interessant vond ik dat. Ik wist dat ze hun geld verdienden met dubieuze praktijken, maar het waren verder heel gewone mensen. Met een gezin en ook met de jaarlijkse zomervakantie op een Franse camping.
Ik sprak die mensen alleen over paardendingen, dus het was de ver-van-mijn-bed-show, maar ik realiseer me nu dat ik kennelijk als tiener redelijk ‘open-minded’ was en mensen gewoon nam zoals ze kwamen. Gek genoeg (of misschien gelukkig maar) wekte het ook mijn interesse in politiewerk en toen ik jaren later tijdens mijn studie de kans kreeg om stage te lopen bij de politie greep ik die met beide handen aan. Ik heb er nooit spijt van gehad.
Nachtmerries
Tegelijk met mij begon ook een andere studente aan een stage op dezelfde afdeling. Ik kan me herinneren dat zij er na een paar maanden mee gestopt is. We lazen elke dag de nieuwe aangiftes van zedendelicten die binnenkwamen en zij vertelde dat ze bang was om alleen thuis te zijn of ’s avonds op straat te lopen en dat ze nachtmerries kreeg.
Moeilijke verhalen over moorden, zedendelicten en andere ernstige misdrijven delen Cleo en Bianca wel met hun collega’s. Om elkaar te steunen en scherp te houden.
Op een dag zei ze dat ze ging stoppen met de stage, omdat dit werk niks voor haar was. Ik vond dat toen heel knap, dat ze voor zichzelf en haar mentale welbevinden die keuze maakte. En ik besefte dat ik daar helemaal geen last van had; nachtmerries, angst, slecht slapen – toen niet en nu niet.
Ik herinner me dat ik een aangifte las van een verkrachting die zich op nog geen vierhonderd meter vanwaar ik toen woonde (in een louche wijk, want ik was een arme student) had afgespeeld. Ik heb me geen moment zorgen gemaakt om mezelf.
Pech
Dat betekent overigens niet dat ik gevoelloos ben. Bepaalde zaken zullen me altijd bijblijven en ik kan intens meeleven met de mensen wier leven door een delict overhoop wordt gegooid. Maar de confrontatie met de willekeur van de meeste delicten – het is heel vaak een kwestie van ‘verkeerde tijd, verkeerde plaats’ – maakte juist dat ik een vrij fatalistische instelling ontwikkelde. Iedereen kan pech hebben, waarom zou ik me dan zorgen maken over iets wat misschien ooit zou kunnen gebeuren?
Die instelling helpt, maar is niet zaligmakend. Zonder fijne collega’s met wie ik altijd kan praten over de treurige, enge, afschuwelijke, gekke en nare aspecten van het werk, zou ik het denk ik niet kunnen volhouden. Die behoefte om te delen is inderdaad groot als je dagelijks geconfronteerd wordt met de zaken die wij zien.
Ongemakkelijk
En ondanks dat het soms raar en ongemakkelijk is dat je met de meeste mensen niet kan en mag praten over wat je zoal meemaakt, vind ik het ook wel weer geruststellend als ik op een verjaardagsfeest ben en iedereen praat over de gewone en soms suffe dingen in het leven.
Niks te leven en dood, maar welke vakantiebestemming wordt het en hoezo rent dat kind met die oude koptelefoon op zijn hoofd rond?
*Benieuwd naar meer columns van Cleo en Bianca? Lees ook hun vorige bijdrage: ‘Slachtoffers van stalking beter adviseren’.
In de trieste zaak van een in Rotterdam omgekomen, negenjarig meisje uit Hongarije loopt tevens een onderzoek naar de gang van zaken rond de adoptie van het kind naar ons land. Dat heeft een woordvoerder van het ministerie van Justitie en Veiligheid (J en V) aan deze website bekendgemaakt.
Eerder zei het Openbaar Ministerie Rotterdam tegen de redactie van FemkeFataal.nl te onderzoeken of het meisje aan de gevolgen van een ongeluk of door een misdrijf is overleden. Die naspeuringen zijn nog niet afgerond en duren volgens het OM vermoedelijk tot in augustus.
Evalueren
De Centrale autoriteit internationale kinderaangelegenheden (CA) van het ministerie van J en V laat via een woordvoerder weten inmiddels een rijksambtenaar van een andere afdeling te hebben aangesteld om de adoptie van het Hongaarse meisje te evalueren. “De resultaten worden later gedeeld met de CA en andere betrokken organisaties. Ook de inspectie ontvangt een afschrift”, aldus de zegsman.
Het meisje kwam in maart 2020 via de Nederlandse Adoptie Stichting (NAS) naar Nederland om bij haar adoptievader en -moeder in Rotterdam te gaan wonen. In maart dit jaar raakte het kind ernstig gewond toen zij thuis van de trap zou zijn gevallen. Diezelfde dag maakte de politie bekend ‘te gaan onderzoeken wat er met het meisje is gebeurd en hoe haar veiligheid thuis was geregeld.’
Overlijden
Vier dagen later bezweek het slachtoffer in het ziekenhuis aan haar verwondingen. Politie en OM brachten dat niet naar buiten en zijn vervolgens in stilte een onderzoek naar de toedracht van het overlijden gestart. Het OM wil niet zeggen of er een forensische sectie is geweest en wat daarbij is vastgesteld.
De tragische zaak kwam dit voorjaar ook onder de aandacht bij Roelie Post, voormalig ambtenaar van de Europese Commissie en tevens columnist op deze website. Roelie was in het verleden bij de EC belast met de portefeuille kinderrechten en deed langdurig onderzoek naar zogeheten interlandelijke adopties. Daarbij ontdekte zij dat er met name in Roemenië veelvuldig sprake was van corruptie en kinderhandel. Volgens Roelie zijn veel adopties naar Westerse landen nog steeds niet in orde. Of dat ook voor deze zaak geldt, is nog onduidelijk.
Andere lezing
Of het onderzoek naar deze adoptieprocedure door de NAS nu volgens de richtlijnen loopt, is volgens Roelie eveneens de vraag. Kort na het overlijden van het meisje informeerde zij bij een medewerker van de CA van het ministerie van J en V. De ambtenaar geeft in het opgenomen gesprek een andere lezing van het verloop van onderzoek naar adopties waarbij iets is misgegaan.
Volgens de ambtenaar is eerder in opdracht van de inspectie een protocol opgesteld om zulke kwesties te kunnen evalueren. Of dat protocol openbaar is, laat hij tijdens het gesprek in het midden.
Op Roelie’s vraag of ook het Rotterdamse adoptiedossier de aandacht van J en V heeft, geeft de ambtenaar bevestigend antwoord. Maar uit zijn uitlatingen blijkt dat de inspectie de leiding over het onderzoek dient te hebben.
Inspectie
De ambtenaar zegt in de opname letterlijk dat ‘bij zulke incidenten (als in Rotterdam, jvdg) de inspectie aan de betrokken adoptieorganisatie vraagt om een evaluatie te verrichten die aan de inspectie wordt teruggekoppeld.’ Verder benadrukt hij dat het vervolgens ‘aan de inspectie is om te kijken of er nader onderzoek moet komen (…).’
Roelie schrijft in een eerdere column op deze site direct vraagtekens te hebben gezet bij de Rotterdamse adoptie. Op de Facebookaccount van de Nederlandse Adoptie Stichting (NAS) zag zij in juni vorig jaar een foto van het Hongaarse meisje en haar adoptieouders.
Ouder
“Het meisje leek me veel ouder dan zes jaar, de wettelijke leeftijdsgrens om te adopteren. Heel vaak lijdt dat tot grote problemen bij adoptie. Ook de tekst bij de foto riep vragen bij me op.” Volgens Roelie is tijdens haar onderzoek gebleken dat 16.000 euro met de adoptie moet zijn gemoeid. “Bedragen zijn terug te vinden op de website van de NAS.”
Ze wijst verder op een eerder advies van de Raad van Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming om geen kinderen meer uit EU-landen te adopteren. Dit omdat de jeugdzorgomstandigheden in die landen afdoende zijn en kinderen niet vanuit pleegzorg naar Nederland moeten worden gehaald.
Reactie
In een reactie gaf de Nederlandse Adoptie Stichting eerder aan niet te willen zeggen of zij wel of niet bij de adoptie betrokken was. “Dat hebben we nooit gedaan en zullen we ook nu niet doen.”
Indien er een onderzoek zou lopen, aldus de NAS, “dan kunnen en willen we pas reageren wanneer het onderzoek en eventuele vervolgacties volledig zijn afgerond. Tot die tijd zijn wij gehouden aan geheimhouding.”
Dossiers worden volgens de stichting alleen geopend voor bevoegde autoriteiten. “Het gaat dan om de Centrale autoriteit internationale kinderaangelegenheden, de Inspectie Zorg en Jeugd en opsporingsinstanties indien sprake zou zijn van een (strafrechtelijk) onderzoek.”
Aangedaan lig ik in het logeerbed van mijn broer en schoonzus. Het is zondag 5 mei 2013. Ik voel me onwerkelijk, maar het moet wel waar zijn. Het bewijs dat het echt is gebeurd, is tastbaar aanwezig. Mijn arm is gebroken en zit in het gips en er zit een wond op mijn hoofd. De man door wie ik zeven maanden lang ben gestalkt, heeft me vannacht op de hoek van mijn huis aangevallen.
Pas de volgende dag ontdekte ik dat ik waarschijnlijk bij de eerste slag met een koevoet achterover door mijn ligusterhaag ben gevallen. De haag was namelijk flink beschadigd. Het verklaarde tevens de vele schaaf- en snijwonden aan de achterkant van mijn benen. Ook was er een grote blauwe plek op mijn bovenbeen. Daar heeft hij me blijkbaar ook geraakt. Ook dat heb ik op het moment van de aanval niet eens gemerkt.
Gegil
Was het mijn gegil waar uiteindelijk mijn overburen op afkwamen waardoor hij stopte? Of kwam het doordat ik hem, terwijl ik op de grond lag, met de puntige hoge hak van mijn schoen hard in zijn kruis getrapt heb? Ik zal het nooit weten. Maar ik heb het overleefd. ‘Poging tot moord’, vermeldt het proces-verbaal dat de politie na de aanval op mijn lijf en leden heeft opgemaakt.
Mijn naam is Annemarie Timmermans, ik ben 58. Ik heb twee volwassen zonen en woon in Zevenbergen. Al meer dan dertig jaar werk ik als veiligheidskundige met een sterke focus op gedrag van en communicatie tussen mensen in alle lagen van organisaties. Ik geef als zelfstandige trainingen en lezingen over het voorkomen van incidenten.
Incident
Op die vreselijke voorjaarsdag, acht jaar geleden, was ik plots zelf ‘een incident’ geworden. Het had niet veel gescheeld of ik was genoemd in een tragisch nieuwsbericht.
De dader was 2,5 jaar mijn geliefde geweest. Eind september 2012, ruim een half jaar voordat hij fysiek geweld tegen mij gebruikte, had ik de relatie met hem beëindigd. Al een paar dagen na de breuk stuurde mijn ex-vriend de eerste berichten via mijn mail en de sociale media. Zijn toon werd snel bedreigend. Zo dreigend dat ik zelf een risico-inschatting maakte en besefte dat ik daadwerkelijk iets te vrezen had.
Bij de verschillende aangiftes die ik in die tijd bij de politie deed, besteedden de behandelende agenten geen aandacht aan het inschatten van de risico’s voor mijn veiligheid. Ik was enorm verbaasd dat dat niet gebeurde. “Zolang er niets is gebeurd, kunnen we niets doen”, zei een van de politiemedewerkers. Dat vond ik niet fijn en dan druk ik me nog zachtjes uit.
Ontsteltenis
Na de aanval zou mijn ontsteltenis over de gang van zaken bij de opsporingsdiensten alleen maar toenemen. Niet alleen de acties door en reacties van politie- en justitiemedewerkers verbijsterden me. Ook bij de hulpverlening wist ik niet wat ik meemaakte.
Natuurlijk had dat te maken met mijn achtergrond. Ik ben immers niet ‘zomaar’ een slachtoffer maar iemand die zich al haar hele, werkzame leven bezighoudt met preventie. Vanuit mijn expertise snapte ik simpelweg niet waarom er zo gehandeld werd.
Verplicht
Zo begreep ik er niets van dat ik eerst verplicht aangifte moest doen voordat er überhaupt iets mee werd gedaan. Er was toch ’s nachts, direct na de aanval, politie bij geweest? Waarom kwam die politie niet onmiddellijk in actie en werd een onderzoek tegen mijn ex-vriend geopend? Het letsel dat ik had opgelopen was toch overduidelijk aanwezig?
Bovendien had ik voordat mijn stalker me aanviel, al diverse aangiftes gedaan waardoor mijn situatie bij de politie bekend moest zijn. Mijn stalker liep al die tijd gewoon rond. Ik was enorm bang dat hij weer zou terugkomen en me opnieuw zou aanvallen.
Maandenlang had ik de sporen van de (gelukkig) mislukte inbraak tijdens diezelfde avond – vrijwel zeker ook door hem gepleegd – buiten laten liggen omdat de politie had beloofd sporenonderzoek te doen. Niets van dat al gebeurde. Om een reden die op zijn minst discutabel is, zo zou ik later ontdekken.
Weken
Bizar was bovendien dat een hulpverlener van een organisatie die nu ‘Veilig Thuis’ wordt genoemd, pas weken later langs kwam om een risico-inventarisatie te maken.
Achteraf bezien hebben alle momenten waarop politie, justitie en hulpverleners niets ondernamen en ook hun wijze van communiceren met mij als slachtoffer, het trauma dat ik had opgelopen alleen maar groter doen groeien. Ik voelde me totaal niet serieus genomen.
In alle ellende nam ik me vanuit mijn ervaring als gedragsveiligheidskundige en coach voor om ooit iets positiefs met die nare ervaringen te gaan doen. Bijna mijn hele werkzame leven had ik mij al ingezet voor preventie van incidenten en vele risico-inventarisaties gemaakt. En nu ondervond ik aan den lijve dat deze aspecten op het gebied van stalking en ex-partnergeweld nog veel te weinig aandacht krijgen.
Impact
De impact en het leed daarvan bij bijvoorbeeld nabestaanden, mensen die het overleven, hun naasten, vrienden, familie, buren en werk- en opdrachtgevers is enorm groot.
De moorden op Linda van der Giesen, toevallig ook uit Zevenbergen, en Hümeyra uit Rotterdam versterkten mijn voornemen alleen maar. Ook daar is veel misgegaan, maar zij kunnen het helaas niet meer navertellen.
Slachtoffer Linda van der Giesen.
Daar kwam nog bij, dat ik in die tijd merkte dat veel mensen in mijn omgeving moeite hadden om te horen dat ik was gestalkt en slachtoffer was geworden van een zeer gewelddadige aanval. Kennelijk rust er nog altijd een groot taboe op geweld door (ex-)partners.
Verstaan
“Je moet het er maar niet over hebben”, kreeg ik meerdere malen te horen. Of er werd me rechtstreeks te verstaan gegeven dat het vast en zeker ook deels mijn schuld moest zijn geweest. “Waar er twee vechten, hebben er twee schuld.” Dat soort onzin. Al werd het niet altijd hardop in mijn bijzijn uitgesproken, het was volkomen duidelijk dat sommigen dat dachten.
Zulke vooroordelen heersen overal. Ook bij medewerkers van politie, justitie en hulpverlening. Waarden en overtuigingen, dus ook vooroordelen, die bewust en onbewust het (professioneel) handelen van mensen beïnvloeden.
Nog groter is het taboe om als (potentiële) stalker te praten over wat je aan het doen bent. Ooit al eens iemand horen zeggen tegen jou als vriend, familielid, buurman of collega: “Ik kan het niet verdragen dat ze het heeft uitgemaakt, en ben haar nu aan het stalken?”
Ervaringen
De afgelopen jaren heb ik diverse malen mijn ervaringen met stalking meegenomen in mijn lezingen en trainingen, zoals op de Safety Dag van de Koninklijke Landmacht in 2019. De enorm positieve reacties die ik steeds krijg, inspireerden mij nog meer om mijn levens- en werkervaringen in te zetten om stalking en (ex-)partnergeweld meer op de agenda te krijgen. Het taboe moet eraf, is mijn motto. Want alleen als dat doorbroken wordt, kunnen er ècht stappen gezet worden op preventiegebied.
De komende tijd schrijf ik elke zes weken voor FemkeFataal over mijn ervaringen, vanuit mijn achtergrond als gedragsveiligheidskundige en coach. Zo wil ik zaadjes planten voor een betere toekomst op dit gebied. Die toekomst begint nu.
Meer over stalking:
*Wil je meer lezen over stalking en ex-partnergeweld? Op deze website kun je talloze artikelen en columns over die onderwerpen terugvinden.
Advocaat Bo Maenen benoemde het feit dat slachtoffers van stalking vaak als dader worden gezien. Oud politie-deskundige Marcel Tiehuis waarschuwde vorig jaar dat de aanpak van stalking nog lang niet afdoende is. Privédetective Herma Kluin schreef over een stalkingdrama dat liefst acht jaar lang duurde en waarbij de dader zelfs explosieven gebruikte.
Schrijven en onderzoek doen kost tijd. Steun Femke Fataal met een maandelijkse bijdrage of doneer bij een artikel. Dan kun jij mijn verhalen blijven lezen. doe een donatie
We gebruiken cookies om ervoor te zorgen dat onze website zo soepel mogelijk draait. Als je doorgaat met het gebruiken van de website, gaan we er vanuit dat ermee instemt.OKPrivacy policy